Dit zijn zo maar enkele gebeurtenissen die prominent in het nieuws zijn gekomen. Maar ze duiden wel, direct of indirect, op een ongebruikelijke aandacht voor de nieuwe regeringsopzet. Ook in het informele circuit neemt de belangstelling voor het nieuwe Kabinet en de gedoogconstructie toe. Uit de vele vragen die ambassadeurs van derde landen en Nederlandse zakenlieden mij stellen, maak ik op dat het buitenland met iets meer dan de gebruikelijke belangstelling de ontwikkelingen in ons land volgt. Als indruk houd ik daarvan over dat deze houding stoelt op een mengeling van nieuwsgierigheid en wantrouwen. Wantrouwen vooral in landen met een overwegend islamitische bevolking, waar, ten onrechte overigens, de vrees bestaat dat Nederland een anti-islambeleid zal inzetten. Nieuwsgierigheid elders in de wereld omdat men Nederland, als land dat nog steeds een goede reputatie geniet, het voordeel van de twijfel geeft. Over het geheel genomen valt het tot nu toe dus wel mee met die imagoschade.
Bij het beoordelen van het gevaar voor toenemende reputatieschade is het verstandig een onderscheid te maken tussen reacties uit landen met een overwegende islamcultuur en landen met een andere achtergrond. Bij navraag over de houding van deze laatste, en grootste, landencategorie, blijkt dat het tot dusverre nogal meevalt met negatieve reacties en gevolgen. Het is veeleer interesse die doorklinkt in de vele gesprekken met zegslieden uit die landen. Negatieve consequenties worden daaraan niet onmiddellijk verbonden. De vraag is eerder: hoe denkt de regering-Rutte in de praktijk om te gaan met dit netelige vraagstuk? Vooral onze naburige landen in de EU volgen belangstellend onze opstelling, omdat ook zij zelf steeds meer te maken hebben met de problematiek van anti-islambewegingen binnen hun grenzen. Begrijpelijk zijn zij dus meer terughoudend in hun reacties. Wantrouwen, of minstens achterdocht, is er wel in toenemende mate bij voor Nederland belangrijke handelspartners in islamitische landen. Nu zal men daar wel zo hoffelijk zijn, is mijn indruk, om onplezierige boodschappen, zoals het eventueel annuleren van orders, te verpakken in beleefde frasen. De offerte van de concurrentie was net iets voordeliger, luidt dan de boodschap. Maar de Nederlandse aanbieder weet intussen wel beter.
Kortom, Nederland moet wel alert blijven: leidt een Kabinet met gedoogsteun van de PVV op de wat langere termijn tot imagoschade en hoe daarmee om te gaan? Of erger, heeft het reputatie-erosieproces ongemerkt al ingezet? Volgens een recente sondering is 80% van de Nederlanders in het buitenland van mening dat een Kabinet met gedoogsteun van Wilders géén positief effect heeft op onze reputatie in het buitenland. Dat kan echter een eerste, vaak emotionele, reactie zijn op voorlopige indrukken die nog niet gestaafd worden door harde feiten. Maar als de toon van PVV-leider Wilders scherper wordt en zijn bood¬schap meer internationale aandacht krijgt, zou dat natuurlijk kunnen veranderen. Dat laatste is niet uitgesloten, gezien de toenemende media-aandacht voor de unieke gedoogconstructie van Nederland. Mocht Wilders het niet alleen bij woorden laten, maar ook het Gedoogakkoord op ontoelaatbare manier oprekken, dan kan de reputatieschade dus wel ernstiger vormen aannemen.
Voorlopig blijft een genuanceerd oordeel echter op zijn plaats. Allereerst is het buitenland wel iets gewend van ons land. Bekend is dat we ons graag progressief opstellen, of het nu gaat om euthanasie, drugsgebruik of homohuwelijk. Nederlanders houden er kennelijk van voorop te lopen met vernieuwingen, zelfs als die in het buitenland niet altijd op instemming of begrip kunnen rekenen. Tegelijkertijd valt ons in grote delen van de wereld nog steeds de nodige waardering ten deel. Onze contacten met het buitenland zijn vaak solide en langdurig van aard, zodat we op enig krediet kunnen rekenen. Het merk Nederland staat borg voor democratie en versterking van de interna¬tionale rechtsorde, voor tolerantie, ondernemerschap en handelsgeest. Maar dat zijn vooral de vruchten van onze inspanningen uit het verleden. Het buitenland zal aandachtig volgen of we die reputatie ook gestand zullen doen in de komende Kabinetsperiode. Daarom doet de regering er goed aan de aard en frequentie van negatieve reacties en de eventuele gevolgen daarvan voor onze positie als handelsnatie en attractieve vestigingsplaats voor buitenlandse bedrijven, zorgvuldig te monitoren en te evalueren.
Maar er is meer te doen. Allereerst zal de regering helder moeten uitdragen dat ferme uitspraken over strikte handhaving van grondrechten, zoals vrijheid van godsdienst, meningsuiting en vereniging en ver¬gadering, inderdaad gestand worden gedaan. Ook onze diplomatieke posten in het buitenland wacht een uitdagende taak. Ik weet dat zij herhaaldelijk worden benaderd met de vraag over de reikwijdte van de gedoogsteun. Geduldig en vooral regelmatig zullen zij moeten uitdragen dat Nederland, zoals vanouds, een beleid van non-discriminatie blijft volgen.
Onze vertegenwoordigers in het buitenland zullen toch al hun PR-beleid moeten aanscherpen. Nederland ziet namelijk zijn invloed in de wereld ook op andere terreinen afnemen. Dat wordt mede veroorzaakt door enkele deukjes die Nederland de afgelopen jaren heeft opgelopen. Ons euroscepticisme, de uitslag van het referendum over het grondwettelijk verdrag, het vertrek uit Afghanistan en natuurlijk de brede steun aan de PVV zijn niet onopgemerkt gebleven. Daarnaast wankelt nu ook onze positie bij de G20 en mogelijk bij het IMF.
Nu weet ik wel dat deze ontwikkeling mede het gevolg is van een toenemend aantal spelers op het internationale toneel. Maar toch. Een land dat voor bijna 70% van zijn BNP afhankelijk is van het buitenland doet er goed aan dergelijke negatieve signalen serieus te nemen. Onze kinderen zullen later niet mogen zeggen: ze stonden erbij, ze keken ernaar en ze deden niets. Nederland beschikt over een uitgebreid en beproefd instrumentarium om een duidelijke boodschap aan het buitenland uit te stralen. Maar laten we daar dan ook direct mee beginnen.