Een eerste relativering is dat het buitenlands beleid van een land per definitie het product is van de eigen positie binnen het geheel van de internationale machtsverhoudingen, van volkenrechtelijke verplichtingen, van afhankelijkheden, binnenlandspolitieke factoren en van gevestigde belangen. Deze omstandigheden veranderen niet ten principale met het aantreden van een nieuwe kabinet. Dat geldt ook voor Nederland als een relatief klein land -de welbekende middelgrote mogendheid- dat lid is van tal van internationale organisaties, gebonden is aan een reeks van internationale verdragen, dat diep is verweven met de Europese Unie, en dat bovenal wat betreft veiligheid en welvaart sterk afhankelijk is van externe ontwikkelingen. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat uit het regeerakkoord wat betreft accenten een hoge mate van continuïteit spreekt, met inzet op de klassieke drieslag van internationale rechtsorde, NAVO en EU. Dat deze regering zich wel bewust is van de Nederlandse externe afhankelijkheid blijkt daarbij bovendien uit het feit dat naast internationale rechtsorde en stabiliteit, energie- en grondstoffenzekerheid en de Nederlandse economische belangen op gelijke voet als doelstellingen van het buitenlands beleid worden genoemd; doelstellingen die de onverbrekelijke band met de buitenwereld onderstrepen.
Een tweede relativering is dat als het gaat om specifieke doelstellingen als vermindering van afdrachten aan de EU, temporisering van uitbreiding en het benadrukken van de eigen soevereiniteit ook in dit opzicht veeleer sprake is van continuïteit dan van een ingrijpende beleidswijziging. Onder Balkenende had Nederland teruggave van geld reeds tot inzet van onderhandelingen over de Europese financiële perspectieven gemaakt, met als resultaat de bekende vermindering van afdrachten met 1 miljard. Nederland is daarnaast in reactie op het 'nee' tegen de Europese grondwet de afgelopen jaren al veel terughoudender geworden op het vlak van uitbreiding; in die mate zelfs dat het op het dossier Servië volledig geïsoleerd is komen te staan. En in antwoord op datzelfde 'nee' maakte Balkenende IV begrenzing van de bevoegdheden van de EU onder de vlag van subsidiariteit tot een belangrijke Nederlandse inzet tijdens de onderhandelingen over het Verdrag van Lissabon. Natuurlijk zijn er nu de ingrijpende passages over aanpassing van de Europese regels inzake migratie. Maar daar is Nederland met handen en voeten gebonden aan bestaande verdragsverplichtingen die zich niet van vandaag op morgen laten wijzigen. Kortom, continuïteit lijkt op het eerste gezicht hét kenmerk van het toekomstig buitenlands beleid te zijn.
Dat wil niet zeggen dat het nieuwe duo Rosenthal-Knapen niet voor een paar stevige uitdagingen staat. Naast alle continuïteit is daar allereerst de kritische(re) blik van het buitenland in reactie op de gedoogsteun van de kant van de PVV. Daar op een verstandige manier mee omgaan opdat de Nederlandse positie en reputatie niet (verder) onder druk komt te staan, vereist de nodige massage op het binnenlandspolitieke vlak, maar vooral een evenwichtige toonzetting richting het buitenland. Die opgave zal niet gemakkelijker worden gegeven het feit dat het kabinet op korte termijn reeds geconfronteerd wordt met een paar gevoelige dossiers die juist op deze beide dimensies risico's in zich bergen. Een nieuw verzoek van de NAVO om actief te zijn in Afghanistan, de toenemende druk vanuit de EU om de banden met Servië aan te halen, het terugkomen op de afspraken inzake de Hedwigepolder; het zijn voorbeelden van dossiers die binnenlandspolitiek gevoelig liggen, daar de nodige stuurmanskunst zullen vergen, maar die tegelijkertijd de relaties met belangrijke partners op korte termijn zwaar kunnen bederven.
Daarbij blijft Nederland omwille van zijn zichtbaarheid in de buitenwereld afhankelijk van een actieve inzet van middelen. Dan staat het kabinet in zijn buitenlands beleid gegeven de opgelegde bezuinigingen voor een paar stevige opgaven inzake het postennetwerk, de inrichting van het defensieapparaat en de herijking van het OS-beleid. De opgave is feitelijk om met minder middelen de Nederlandse presentie, zowel Europees als mondiaal, op peil te houden en zo te voorzien in een noodzakelijke voorwaarde om hoe dan ook invloed te kunnen uitoefenen. Een antwoord op die uitdaging vereist een meer strategische visie op de plaats van Nederland, op de Nederlandse belangen en op de wijze waarop deze qua middelen en inzet het beste kunnen worden behartigd. Naar die strategie is het nog even zoeken in het regeerakkoord.
Zo'n strategie is te meer noodzakelijk omdat de wereld om ons heen niet in Nederlands voordeel veranderd. Omineus in dit verband is een opeenvolging van berichten aan de vooravond van het aantreden van dit nieuwe kabinet. Nederland zal waarschijnlijk niet mogen aanschuiven bij de G20-top in Zuid-Korea, de Nederlandse positie in het IMF staat ter discussie, de VN-veiligheidsraad wordt toenemend gedomineerd door grote landen. Het zijn voorbeelden van de machtsverschuiving die gaande is in de wereld; een machtsverschuiving die Nederland relatief kleiner maakt en dwingt tot inschikken. Die ontwikkeling valt niet te keren met een beroep op continuïteit, op de bekende ankers van Atlantica, Europa en het internationale recht, maar vereist aanpassing, een scherper gevoel voor prioriteiten en een goed oog voor de eigen positie. Zo'n analyse zou wel eens tot de conclusie kunnen leiden dat Nederland het meest geholpen is met een mondiaal sterkere Europese Unie; een boodschap die o.a. de nieuwe staatssecretaris Ben Knapen wel heeft verkondigd. Maar kom daar maar eens mee aan op het huidige Binnenhof.