Research

Op-ed

Vechten om een insigne

29 Jul 2009 - 23:03
De krijgsmacht heeft een insigne bedacht voor 'Optreden onder Gevechts­omstandigheden'. Dat was nodig, want het ontbrak kennelijk nog aan 'een blijk van waardering voor militairen die tijdens operaties aan groot gevaar hebben blootgestaan bij vijandelijk optreden en daarbij adequaat hebben gehandeld.'

Andere landen waardeerden dat wel: de Combat Infantry Badge en de Combat Action Badge van het Amerikaanse leger zijn voorbeelden. Als je samen in Afghanistan vecht en de een krijgt een speldje en de ander niet, dan voel je je natuurlijk tekortgedaan. Er waren al insignes voor Dutchbat-III (Srebrenica...) en voor gewonde militairen, de nieuwe geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2001. Dus zeg maar Afghanistan, Enduring Freedom, Irak.

Geen kwaad woord over de Nederlandse militairen daar in Uruzgan, het is geen kattenpis om zigzaggend tussen de bermbommen door schooltjes te bouwen en amandelbomen te laten bloeien. Er wordt inderdaad gevochten. Omdat het nog steeds geen 'oorlog' mag heten, is er nu dus een insigne voor 'gevechtsomstandigheden'.

De eerste negentien zijn intussen uitgereikt door generaal Van Uhm, de commandant der strijdkrachten. De invoering van de onderscheiding heeft meteen tot gedoe geleid: wie krijgt hem wel, wie niet, waarom ik niet en hij wel, wat is adequaat handelen, hoe zit het dan met koks en monteurs die de poort niet uitkomen, tot klaagbrieven uit Uruzgan dat het insigne 'aan bijna iedereen' wordt weggegeven.

Bij de uitreiking liet generaal Van Uhm zich meteen al ontvallen dat de toekenningscriteria misschien nog een beetje verfijnd moeten worden. Lees: ook een speldje voor bijvoorbeeld soldaten die bermbommen hebben opgeruimd. De toelichting van het hoofd van de afdeling Decoratiebeleid & Onderscheidingen klinkt een beetje bizar. Tegen de Defensiekrant zegt hij: 'Decoratiebeleid bestaat bij de gratie van het niet toekennen van een onderscheiding. Grenzen worden bevochten, bezwaren worden ingediend. Daarbij gaan we altijd uiterst zorgvuldig te werk. Alles moet in één keer kloppen.'

Dat klinkt niet als 'verder verfijnen', en roept de vraag op of je naast een onderscheiding ook nog eens een decoratie zou kunnen krijgen. In elk geval is de koek op na één insigne. Wie een tweede keer dapper is of nog een bermbom onschadelijk maakt, krijgt geen tweede exemplaar. Twee keer dapper wordt natuurlijk wel gewaardeerd, volgens het hoofd Decoratiebeleid & Onderscheidingen. 'Alle reden dus voor de militairen om zo zorgvuldig mogelijk met het insigne om te gaan', aldus de Defensiekrant, alsof er ook nog een stukje opvoedkunde aan verbonden is. Als dat straks in de Chora-vallei maar niet tot discussies langs de kant van de weg leidt over wie insignetechnisch aan de beurt is om de trekker 'adequaat' over te halen.

Goed, dat zal wel professioneel opgelost worden - bij lastige problemen het standaardantwoord van het ministerie. Maar waarom moeten die professionals zo nodig onderscheidingen? Beroepsmilitairen weten toch als geen ander wat de risico's van het vak zijn? Het is een beetje kinderachtig om dat met speldjes te waarderen. Er is maandenlang geprutst en geschaafd en gevijld aan de criteria. Je moet onder vuur hebben gelegen, je hoofd koel hebben gehouden tijdens een veldslag, betrokken zijn geweest bij de ontploffing van een bermbom. En nu dan al dat gedoe.

Als andere beroepssoldaten, in de zorg of het onderwijs, net zo snel naar de pen grijpen als de broeders van het echte slagveld, kan er komende herfst nog een insignepandemie in ons land uitbreken. Mijn nichtje ging vrijwillig op vechtmissie naar een Curaçaose basisschool in Otrabanda. Daar stond ze met doodsverachting voor de klas, al had haar werk meer weg van een stage bij de Explosieven Opruimingsdienst.

Terug in Amsterdam bleef ze overeind op een niet zo witte school in Amsterdam, dag in dag uit spitsroeden lopend tussen tweeëndertig nationaliteiten met een krijtje en een schoolbord als uitrusting. Zonder speldje slaagt ze er sinds kort in om elk jaar een kopklas af te leveren van afgeschreven allochtone kinderen, klaargemaakt en gemotiveerd om tegen alle voorspellingen in toch naar het voortgezet onderwijs te gaan.

In Den Haag werkt een vriendin al jarenlang in het mijnenveld van de psychiatrische jeugdzorg. Daar demonteert ze tussen de bezuinigingen door met pijnlijk geduld de ene na de andere jonge bermbom uit de Schilderswijk.

In het verzorgingstehuis van mijn moeder, 91 jaar nu en niet meer de allergemakkelijkste, wordt een permanente vecht- en wederopbouwmissie uitgevoerd. In haar inktvlek liggen zusters en broeders onophoudelijk onder vuur, roepen in de lange vakanties luchtsteun in van de mantelzorg, takelen haar adequaat de wc in, beleggen wanhopige shura's met het thuisfront, schieten geen millimeter op maar ze houden het hoofd koel onder risicovolle omstandigheden.