De druk op westerse regeringen om actie te ondernemen tegen Chinas Tibetbeleid neemt toe. In de media wordt gepleit voor het boycotten van de openingsceremonie van de Olympische Spelen door vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen. Hiermee zou een signaal worden afgegeven dat men het niet eens is met de manier waarop Peking de crisis in Tibet aanpakt. Gehoopt wordt dat de Chinese overheid, die graag wil dat de Spelen een succes worden, hierdoor de druk van de internationale gemeenschap voelt. Tevergeefs, het zal allemaal niets uitmaken.
In zijn column van 27 maart beschreef J.L. Heldring de lastige situatie waarin de Nederlandse regering zit. Aan de ene kant is de bevordering van mensenrechten een centraal punt in het beleid van minister Verhagen. Aan de andere kant heeft de Nederlandse economie baat bij goede betrekkingen met China. Moet Nederland oproepen tot een internationale boycot van de openingsceremonie? Of is een oproep wat te hoog gegrepen en moet de regering zich beperken tot het niet sturen van vertegenwoordigers naar de ceremonie? En hoe moet het dan met Prins Willem-Alexander, die lid is van het IOC?
De kern van het mensenrechtenprobleem in China is dat de Chinese staat te sterk is. De Chinese burger heeft onvoldoende politieke vrijheden. De overmatig sterke staat in China is het product van een verleden waarin de Chinese staat zelf juist te zwak was. Dat was het geval tussen circa 1850 en 1950. In die periode was de centrale staat in China onvoldoende in staat de bevolking te beschermen tegen hongersnoden, criminaliteit, burgeroorlogen en buitenlandse invasies. Vele miljoenen doden zouden niet gevallen zijn, als de Chinese staat in deze periode normaal had gefunctioneerd.
Sinds de Communistische machtsovername in 1949 streven Chinas leiders naar een sterke staat om een herhaling van de misère uit het verleden te voorkomen. Het China van vandaag is daarom een krachtige staat, waarin de politieke rechten van individuele burgers ondergeschikt zijn aan de veiligheid en stabiliteit van het land als geheel.
Het Westen is indirect medevormgever van de politieke constellatie van het huidige China. De westerse landen, samen met Rusland en Japan, hebben in het verleden bijgedragen aan de afbraak van de Chinese staat door economische gunsten af te dwingen door middel van militaire druk. De buitenlandse mogendheden verwierven economische en politieke invloed in China, als gevolg waarvan de Chinese centrale regering steeds minder goed functioneerde. De buitenlandse druk was een van de factoren die in 1911 leidde tot de ineenstorting van de Qing Dynastie, waarna het centrale gezag een tijdlang helemaal verdween. Het probleem van de overmatige krachtige staat in China is dus mede veroorzaakt door het beleid van de westerse landen een eeuw geleden.
Betekent dit dat anno 2008 een westerse regering zich niet kritisch mag uitlaten over de toestand in Tibet?
Dat is een lastige morele kwestie, maar geen praktisch probleem. Wat in de praktijk relevant is, is dat druk vanuit westerse regeringen op Peking onmogelijk tot een positief resultaat kan leiden. De Chinese staat is ontstaan als reactie op de inmenging van vreemde mogendheden, en is dus per definitie niet ontvankelijk voor buitenlandse druk.
De Chinese overheid zal zich nooit laten leiden door inzichten die van buitenaf worden opgelegd. De enige mogelijke reactie zal zijn dat de staat zich verder wapent tegen beïnvloeding van buitenaf. Om dit te bereiken zal de Chinese staat ook haar positie ten opzichte van mogelijke binnenlandse oppositie verder versterken. De Chinese leiders zijn toch al niet van plan op korte termijn een begin te maken met democratisering. Druk vanuit het Westen zal hun overtuiging dat hiervoor de tijd nog niet rijp is alleen nog maar versterken. Van een verslapping van de greep van Peking op Tibet zal al helemaal geen sprake kunnen zijn.
Overigens mag duidelijk zijn dat de Volksrepubliek China niet een of ander middelgroot land is dat met een economische boycot gedwongen kan worden zich aan de wensen van het Westen aan te passen. China is een grote mogendheid, en wordt elke dag sterker.
Nederland heeft in het verleden niet zelf militaire macht gebruikt om concessies door China af te dwingen, maar heeft zich wel - met het oog op economisch voordeel - aangesloten bij het systeem van internationale verdragen dat zoveel schade aan China heeft gedaan. Benadrukken dat Nederland anders is dan de grote westerse landen is in dit geval geen oplossing. Een oproep tot een internationale boycot van de openingsceremonie is dus geen goed idee, net zo min als zelf de ceremonie boycotten.
Wat de Nederlandse regering wel kan doen, is nog eens goed kijken naar de manier waarop zij - samen met de rest van de wereld - een rol speelt in de strategie die Peking gebruikt om zijn macht in Tibet te verstevigen. De Chinese overheid heeft meerdere malen op persconferenties bekendgemaakt dat Tibet van oudsher een onlosmakelijk onderdeel van de Chinese gebiedsdelen is, hetgeen universeel door de internationale gemeenschap erkend wordt. De Chinese regering suggereert dus dat andere landen, waaronder Nederland, erkennen dat Tibet historisch gezien bij China hoort. Dit argument wordt gebruikt om de internationale media erop te wijzen dat alles wat met Tibet te maken heeft een interne aangelegenheid van China is.
De historische claim van China op Tibet is echter verre van eenduidig. Misschien kan minister Verhagen de Chinese regering ervan overtuigen dat het Nederlandse standpunt over deze historische claim wat genuanceerder ligt dan Chinas uitspraken doen denken.