Research

Articles

Discussie over politiek bestel ook van belang voor Europa

09 Feb 2006 - 00:00
Alfred Pijpers is verbonden aan het Instituut Clingendael in Den Haag en is lid van de Nationale Conventie.

Nederland zei 'nee' tegen de Europese Grondwet en het debat liep vast. In de Nationale Conventie gaat het nu eerst over de zaken thuis, hoopt Alfred Pijpers.

Vandaag begint het echte werk voor de Nationale Conventie, nadat zij vorige week donderdag door minister Pechtold is geïnstalleerd. De Nationale Conventie is een tijdelijk adviescollege van de regering met als taak 'voorstellen te doen voor de inrichting van het nationale politieke bestel'. Na een Europees constitutioneel debat krijgen we nu dus een debat over de Nederlandse 'constitutie voor de 21ste eeuw', zoals het instellingsbesluit dat formuleert.

Een gunstige ontwikkeling, want door het Franse en Nederlandse 'nee' tegen de Europese Grondwet is het Europese debat vastgelopen. De regeringsleiders hebben een bezinningsperiode ingesteld (die tot 1 juli duurt) en in de meeste EU-lidstaten bestaat weinig animo voor nieuwe Europese projecten.

Zeker niet in Nederland. Minister Bot heeft nadrukkelijk laten weten dat de Europese Grondwet in zijn huidige vorm niet nog eens aan het Nederlandse volk, of zijn vertegenwoordigers, wordt voorgelegd. Vooralsnog maakt alleen het Europees Parlement zich druk over dit document, ook al heeft het daarover geen zeggenschap.

Toch zal op den duur een Europees (constitutioneel) verdrag weer op de agenda prijken. Bondskanselier Merkel heeft hierop al gezinspeeld. Ook de dertien landen waarin de Europese Grondwet al is geratificeerd, menen dat er veeleer sprake is van uitstel dan van afstel. Binnen een paar jaar zal Nederland onvermijdelijk worden geconfronteerd met een nieuwe ronde verdragsherzieningen.

Het is dan zaak beslagen ten ijs te komen. De Nationale Conventie kan hierbij nuttige diensten bewijzen, ondanks zijn ietwat oubollige benaming (die herinneringen oproept aan het gezelschap dat in 1798 de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk ontwierp, de eerste vaderlandse Grondwet). Door de aandacht nu naar binnen te richten, kan namelijk beter worden bepaald wat de Nederlandse waarden, vrijheden, bevoegdheden en belangen zijn die in een Europees constitutioneel kader moeten worden veiliggesteld.

Bij de conventie die een paar jaar geleden de Europese Grondwet moest opstellen, liep dat mis. Regering en parlement waren niet goed voorbereid op de constitutionele ambities in Europese federale kring. Ze dachten dat het project een traditionele verdragsherziening betrof, met de nadruk op institutionele vraagstukken in een sterk uitgebreide Europese Unie - zoals de verdragen van Amsterdam en Nice.

De eerste regeringsvertegenwoordiger in de Europese conventie, Hans van Mierlo, was voornamelijk geïnteresseerd in de Europese buitenlandse politiek.

Zijn opvolger, Gijs de Vries, was veeleer een Europese dan een Nederlandse belangenbehartiger. Doelstellingen van de Unie, afbakening van bevoegdheden, subsidiariteit, en budgettaire aangelegenheden werden, niet vanuit een constitutionele optiek behandeld, maar vanuit de commerciële zakelijkheid waarmee Nederland zich door de jaren heen in Brussel heeft opgesteld. De constitutionele poespas van conventievoorzitter Valéry Giscard d'Estaing werd op de koop toe genomen. Hij werd in Den Haag schamper de 'zonnekoning' genoemd. Door deze onderschatting van de diepere Europese drijfveren werd ook de antistemming onder de Nederlandse bevolking niet tijdig aangevoeld. Daar heersten nogal wat bezwaren tegen de pretenties van Europa. Velen hadden het gevoel dat de Europese Grondwet een inbreuk betekende op de nationale politieke autonomie en stemden dus tegen.

Zo werd voor de Haagse elites een pijnlijke kloof zichtbaar: maar liefst 61 procent van de bevolking wees de Europese Grondwet af, terwijl een ruime meerderheid in de volksvertegenwoordiging daarvan een voorstander is, oppositiepartijen PvdA en GroenLinks incluis.

De Nationale Conventie kan hier corrigerend optreden. Veel burgers raken gedesoriënteerd door de onduidelijke scheidslijnen tussen de Europese en de nationale politiek. In de Europese conventie wilde het kabinet-Balkenende zich niet vastpinnen op een zogeheten Kompetenzkatalog (een welomschreven lijst van Europese en nationale bevoegdheden), omdat zo'n lijst makkelijk tot verstarring kan leiden in een beweeglijke wereldeconomie met een permanente technologische revolutie.

Tijdens de referendumdebatten bleek echter dat het publiekbehoefte had aan houvast: wat wordt nu 'Europees' en wat niet. De regering moest voortdurend sussende woorden spreken: ons drugsbeleid, ons homohuwelijk en onze euthanasiepraktijk zouden heus niet door de Europese Grondwet worden aangetast.

Er ontbrak - en ontbreekt - echter een systematisch en principieel standpunt over de afbakening van Europese en nationale bevoegdheden. De opsomming in de Europese Grondwet is erg vaag, met de interne markt en de douane-unie als een leidraad voor de werkingssfeer van 'Brussel'. Voor de rest wordt de toverformule van de subsidiariteit ingeroepen. Bij voortgaande Europese integratie is een scherpere afbakening geboden.

De nieuwe conventie zou een poging kunnen doen om wezenlijk nationale bevoegdheden en belangen in kaart te brengen. Vanuit een economisch gezichtspunt, maar ook door aandacht te schenken aan zaken als Nederlandse identiteit, cultuur en geschiedenis, hoe lastig dit soort 'canons' ook te definiëren zijn.

Denkbaar is om bepaalde waarden, zoals het behoud van de Nederlandse taal, of de bescherming van typisch Hollandse landschappen, grondwettelijk vast te leggen.

In dit verband verdient het tevens aanbeveling de positie van onze grondrechten in de gaten te houden. Door de Europese conventie zijn deze rechten (vrijheid van godsdienst, vrijheid van onderwijs et cetera) uit hun nationale voegen gelicht, en prominent in de Europese Grondwet geplaatst. Dat is uit een oogpunt van rechtsbescherming wel verdedigbaar, omdat zo ook de Europese instellingen bij de uitoefening van hun taken gebonden zijn aan de fundamentele rechten van de mens.

Maar dat was niet het enige oogmerk van Giscard en de zijnen. Zij wilden hun project optuigen met de attributen van de nationale staat. De indruk werd gewekt dat de Europese Unie zelf de klassieke vrijheidsrechten in het leven heeft geroepen. Hun nationale ontstaansgeschiedenis werd door deze manoeuvre volledig miskend.

Minister Pechtold bepleitte onlangs in een lezing 'meer trots' voor onze grondwettelijke waarden. Die kweek je niet door ze in Brussel aan de wilgen te hangen. De Nationale Conventie kan dus een paar steken oppakken die Nederland in de Europese conventie heeft laten vallen. In ieder geval is de volgorde nu beter: eerst een nationaal constitutioneel debat, en dan weer een Europese ronde.