Het is niet de Grondwet die de relatieve macht van lidstaten doet afnemen, maar de uitbreiding van vijftien naar vijfentwintig lidstaten. Die uitbreiding betekent voor elke lidstaat een verlies. In antwoord hierop zijn de lidstaten op zoek gegaan naar een nieuw evenwicht. De grote lidstaten willen niet overstemd worden door het steeds groter aantal kleinere landen.
Daartegenover staat dat de kleine lidstaten geen besluiten willen die de grote lidstaten opleggen. In het gevonden compromis schuilt de kracht van de Grondwet: voor het eerst sinds Maastricht zijn de lidstaten het eens over een meer uitgebalanceerde machtsverhouding.
Essentieel is dat het ondoorzichtige systeem van stemmenweging (Nice) verdwijnt: alle landen leveren stemgewicht in. Ieder land heeft voortaan één stem! Dat geldt ook voor Duitsland en Frankrijk, die nu nog 29 stempunten hebben (Nederland 13). Belangrijker is nog dat een meerderheidsbesluit vereist dat 55 procent van de lidstaten, met een minimum van 15, moet instemmen met zo'n besluit. De zes grote hebben dus altijd minimaal negen kleine lidstaten nodig. Wel kunnen de grote met hun bevolkingsomvang besluiten tegenhouden. Ieder meerderheidsbesluit moet namelijk minimaal 65 procent (nu 62) van de Europese bevolking representeren. De blokkerende 35 procent met een minimum van vier lidstaten is voor de grote landen gemakkelijker te bereiken.
Wat deze getallen vooral zeggen is, dat de groten niet de macht gegrepen hebben. Hier schuilt de ware ironie van het argument van de tegenstanders. Nederland zou terug moeten naar Nice. Zij vergeten dat juist Nice het verdrag is van de grote landen. Kortom, wie in Nederland zijn knopen telt stemt voor.