Research

Strategic Foresight

Articles

Nieuw Atlantisch Handvest voor VS en EU

21 Apr 2005 - 10:01

Op zoek naar een partnerschap voor de 21ste eeuw moeten Amerikanen en Europeanen op zoek naar een noemer die hen bindt. Global governance, het kanaliseren van de krachten van de globalisering, kan dat bindmiddel zijn, meent Marc Bentinck.

Terugblikkend op de NAVO-'verzoeningstop' op 22 februari in Brussel noteerde The Economist, scherpzinnig als altijd, dat Amerikanen en Europeanen bij die gelegenheid in klaarblijkelijke eensgezindheid 'sterk verschillende verwachtingen van hun partnerschap aan de dag hadden gelegd'.

Secretaris-generaal De Hoop Scheffer staat dan ook voor een lastige opgave, waar hij de op de top aangekondigde versterking van NAVO's strategische en politieke consultatie- en coördinatiefunctie nu daadwerkelijk moet zien vorm te geven.

Enerzijds zou zonder concrete vervolgstappen de voorthollende wereldactualiteit welke herstelde solidariteit dan ook wel eens kunnen overwoekeren met nieuwe splijtzwammen (Iran, Internationaal Strafhof). Van de hoognodige ontwikkeling van een westelijke grand strategy zal het dan al helemaal niet meer komen. Anderzijds is niet meteen duidelijk welk doel een verbeterd management van de transatlantische relatie moet dienen, als Amerikanen en Europeanen er niet langer zeker van zijn dezelfde lange-termijnbelangen te hebben.

Waarschijnlijk zullen de NAVO-ministers van Buitenlandse Zaken het bondgenootschap nog niet uit bovenstaande dilemma's kunnen bevrijden en aan een nieuwe geloofwaardigheid kunnen helpen, als zij elkaar deze week in Vilnius 'informeel' ontmoeten. Wel zullen zij de kritische - en door de Brusselse top van de hand gewezen -visie van bondskanselier Schröder op de werkelijkheid van de transatlantische relatie levendig in het achterhoofd hebben.

Schröder gaf voedsel aan de gedachte om buiten de NAVO een nieuw transatlantisch consultatiemechanisme in te stellen. Daarmee moge Schröder de plank hebben misgeslagen, zijn constatering dat NAVO noch EU het transatlantische partnerschap bedienen zoals zij zouden moeten, snijdt wel degelijk hout. De NAVO-ministers van Buitenlandse Zaken kunnen in Vilnius van deze nood een deugd maken, door Schröders breed gedeelde onvrede om te zetten in een – toch al gewenste – reorganisatie van de transatlantische veiligheidsrelatie.

Die reorganisatie krijgt zelfs iets van een wenkend perspectief, als zij zich oriënteert op de bredere context waarbinnen de huidige transatlantische meningsverschillen grotendeels zouden kunnen opgaan, althans aan scherpte verliezen.

Die bredere context dringt zich bijna elke dag aan ons op en schreeuwt om aandacht van de kant van (trans)nationale overheden: de om zich heen grijpende globalisering, die de mensheid met immense kansen en met immense bedreigingen confronteert. De krachten van globalisering zo te kanaliseren dat één, wereldwijde gemeenschap bij afwezigheid van allesvernietigende conflicten tot ontplooiing kan komen, is het imperatief -moreel en (veiligheids)politiek -van de 21ste eeuw.

Hier ligt een opdracht aan het adres van die landen die het meest hebben geïnvesteerd in globalisering en die daar tevens het meest van te duchten hebben. Die opdracht houdt niet minder in dan global governance, waarbij het de westerse landen zijn die het voortouw zullen moeten nemen. Maar kunnen en willen onze regeringen wel het interventionisme opbrengen, en volhouden, dat global governance veronderstelt? Geen gedrevenheid zonder bezieling -een bezieling die wij zullen moeten ontlenen aan een 're-ideologisering' van het westerse optreden in de wereld.

President Bush gaat ons wat dat laatste betreft voor, waar hij de Verenigde Staten overal ter wereld – om te beginnen in het Midden-Oosten – voor vrijheid en democratisering in de bres wil laten springen. Daarmee bedrijft Bush, waarschijnlijk onbedoeld, postmoderne zingeving als antwoord op de vervreemdende, en daarom destabiliserende, bijwerkingen van globalisering. Te hopen valt dat de Europeanen de boodschap van de tweede regering-Bush zullen weten op te pakken, in plaats van even kleingeestig als misplaatst te smalen over een Amerikaanse 'kruisvaardersmentaliteit'.

Wat het Verenigd Koninkrijk onder premier Blair nauwelijks gelukt is, zou een slagvaardige EU wel moeten kunnen lukken: invloed uitoefenen op de Amerikaanse strategische agenda door deze te omarmen. Daar waar de radicale, status quo ondermijnende kanten van die Amerikaanse agenda onderdrukking, corruptie en terreur aantoonbaar terugdringen, past de Europeanen niets anders dan met inzet van eigen civiele en militaire middelen volop mee te werken aan de uitvoering van die agenda. De minder doordachte kanten van het Amerikaanse optreden in de wereld zou een zich actief inzettend Europa vervolgens effectiever moeten kunnen bijbuigen dan nu dikwijls het geval is.

Hoe kan de transatlantische veiligheidsrelatie in de toekomst dienstbaar worden gemaakt aan global governance? Inhoudelijk zouden de politieke beginselen waarvoor de NAVO altijd al stond, zich moeten vertalen in een besef van verantwoordelijkheid voor de wereld -Blairs doctrine of international community, waarbij de belangrijkste hedendaagse culturen elkaar vinden in een gezamenlijk project om onze globaliserende wereld leefbaar te houden.

Praktisch zal het out-of-area optreden van NAVO en EU verder moeten worden ontwikkeld tot één van de kernfuncties van beide organisaties. Daarmee worden NAVO en EU nog geen wereldpolitiemannen, al was het maar omdat een goed samenspel met die andere hoofdrolspeler, een hervormde, meer slagvaardige VN, uiteraard de regel moet blijven. Een reorganisatie van de transatlantische veiligheidsrelatie zal overigens niet kunnen overtuigen zonder een top down-benadering , waarbij bureaucratische structuren uitdrukkelijk het politieke proces volgen in plaats van andersom.

In de praktijk zou het als volgt kunnen gaan. Amerikanen en Europeanen beleggen een speciale top, waarbij zij de EU formeel toelaten als volwaardige veiligheidspartner van de Verenigde Staten. Aanvankelijk zou dit wel eens tot een feitelijke verslechtering van de transatlantische relatie kunnen leiden, aangezien de Verenigde Staten al snel geneigd zullen zijn een geconsolideerde Europese opstelling als vijandelijke ganging up te ervaren. Totdat de Verenigde Staten inzien dat zij, voor de doeleinden van global governance, meer te winnen hebben bij een slagvaardige EU dan bij het – weliswaar makkelijk uit elkaar te spelen maar daarom ook niet altijd even bruikbare – Europese gezelschap waarmee zij gewend waren in de NAVO te exerceren. Het einde van de NAVO zal dit niet betekenen, want deze organisatie zal juist vorm moeten zien te geven aan een nieuwe politiek-militaire synergie tussen de Verenigde Staten, Canada, de EU, en de Europese NAVObondgenoten (Noorwegen, Turkije, IJsland) die ook na 2007 -omstreeks dat jaar treden NAVO-leden Bulgarije en Roemenië tot de EU toe -waarschijnlijk geen lid van de EU zullen zijn.

Aan die synergie moeten uiteraard ook de landen kunnen deelhebben die onder NAVO's succesvolle outreach-beleid vallen: Rusland, Oekraïne en de overige deelnemers aan het Partnerschap voor Vrede, alsmede een zevental mediterrane landen. In termen van global governance management kan een 'NAVO-nieuwe stijl' dus nog voor een multilaterale uitdaging van de eerste orde komen te staan.

Teneinde de partners in die multilaterale uitdaging stevig te binden, zouden Amerikanen en Europeanen tijdens hun speciale top een nieuw Atlantisch Handvest moeten uitvaardigen, dat hun strategisch partnerschap aan richtingsgevoel voor de 21ste eeuw helpt. De bouwstenen voor een dergelijk Handvest liggen voor het oprapen, in eerdere transatlantische verklaringen, in het meest recente (1999) Strategisch Concept van de NAVO en, nog het meest expliciet, in de Europese Veiligheidsstrategie die de EU in 2003 op het hoogste niveau vaststelde.

Global governance is het dwingende perspectief waarin de transatlantische bondgenoten hetgeen hen tegenwoordig bindt en verdeelt zullen moeten zien te herschikken tot een nieuw en werkbaar partnerschap voor de 21ste eeuw.