Research

Articles

Weerbarstige praktijk hindert militaire ambitie EU

30 Jun 2004 - 15:43
Ofschoon de lidstaten van de Europese Unie gezamenlijk zo'n 170 miljard euro uitgeven aan defensie, over circa 1,7 miljoen militairen en over ruim 175 ?gevechtsbrigades? beschikken, is de ?output? teleurstellend. De Europese Unie is met de huidige militaire capaciteit niet in staat om een substantiële bijdrage te leveren aan de internationale vrede en veiligheid. Op de Top van Helsinki werd in december 1999 besloten om een Europese Interventiemacht van 60.000 man op te richten. Een paar jaar later werd al pijnlijk duidelijk dat deze interventiemacht niet vóór 2010 in staat zou zijn om zelfstandig grootschalige operaties uit te voeren.

De oorzaak van dit alles moet worden gevonden in de nationale politieke agenda?s waar defensie sinds de jaren negentig een lage prioriteit heeft gekregen. Maar tegelijkertijd wordt in veel landen het defensiebudget ook nog verkeerd besteed. Door de noodzakelijke reorganisaties vooruit te schuiven wordt veel geld gespendeerd aan eenheden en materieel waarin de nieuwe veiligheidssituatie geen behoefte meer aan is. Daarnaast beschikken veel landen nog over strijdkrachten die uit dienstplichtigen bestaan. Dergelijke legers zijn nauwelijks bruikbaar voor optredens ver buiten de eigen landsgrenzen.

Nederland heeft die fundamentele keuze voor een beroepskrijgsmacht al in 1994 gemaakt, maar het buurland Duitsland worstelt er nog steeds mee. Van de 25 landen van de Europese Unie beschikken slechts 5 landen over een volledige beroepskrijgsmacht. Het is duidelijk waar de schoen wringt.

Grondwet

In de nieuwe grondwet, die naar verwachting nog dit jaar door de Europese Raad zal worden goedgekeurd, wordt nu de mogelijkheid geopend voor landen, wier strijdkrachten aan hoge eisen voldoen en die politiek bereid en in staat zijn meer risicovolle operaties uit te voeren, om onderling een samenwerkingsverband aan te gaan. De militaire invulling hiervan is de formatie van eenheden van zo'n 1500 militairen die binnen vijf dagen, nadat een besluit daartoe door de Europese Raad is genomen, op de plaats van bestemming moeten kunnen worden ingezet. De grote landen, zoals Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hebben het voortouw hierin al genomen.

Nederland heeft te kennen gegeven ook een bijdrage aan deze ?battlegroups? te willen leveren. De vraag is of Nederland hiervoor in aanmerking komt. Allereerst dient het politieke besluitvormingsproces te worden aangepast. Het Toetsingskader, de ?handleiding? van de regering en het Nederlandse parlement voor de inzet van militaire eenheden voor vredesoperaties, is hier niet op toegesneden. Het politieke debat over de inzet van Nederlandse militairen in risicovolle missies vergt, zo wijst de praktijk uit, meer dan enkele dagen. Zelfs bij niet risicovolle missies komt het nog voor, dat door grote politieke partijen de goedkeuring aan een missie wordt onthouden. Een aangepaste procedure in geval van snelle inzet is daarom noodzakelijk.

In de tweede plaats is de Nederlandse inlichtingenpositie zwak. Deze moet worden verbeterd om de Nederlandse afhankelijkheid en daarmee ook de eigen kwetsbaarheid, te verminderen. Juist bij risicovolle missies telt dit extra zwaar. Een Nederlandse eenheid zonder adequate inlichtingenvoorziening is als een blinde zonder geleidehond.

In de derde plaats rijst de vraag of deze nieuwe politieke ambitie wel met de huidige capaciteit van de Nederlandse krijgsmacht kan worden waargemaakt. Het gelijktijdig deelnemen aan de Europese ?Snelle Reactie Eenheid? en de Snelle Reactiemacht van de Navo zal ten koste gaan van de deelname aan andere missies zoals in Bosnië, Afghanistan en Irak. Bijstelling van de politieke ambities lijkt dan ook onvermijdbaar.

Voorzitter

Vanaf 1 juli verkeert Nederland, als voorzitter van de Europese Raad, in de unieke positie om zelf voorstellen te doen om de militaire tekortkomingen van Unie op te heffen. Om de efficiency op de defensiemarkt te bevorderen zou artikel 296 van het Unieverdrag, dat krampachtig de nationale defensie-industrieën beschermt, moeten worden afgeschaft. Eerlijke concurrentie ontbreekt. Dit maakt de defensie nog duurder en vereist extra logistieke inspanningen tijdens de uitvoering van gemeenschappelijke missies. Ook is het noodzakelijk dat de Europese Unie over een eigen inlichtingeenheid kan beschikken. Dit is niet alleen nodig voor de uitvoering van eigen militaire operaties, maar voorkomt ook dat men alleen moet terugvallen op de inlichtingenanalyses van de grote landen. De discussie over de (vermeende) aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak heeft dat nog eens onderstreept.