Research

Articles

Omslag Libië is geen bewijs van effectiviteit militair ingrijpen

15 Mar 2006 - 00:00
Amerikaanse haviken waren er onlangs als de kippen bij om de ommezwaai van de Libische leider Khaddafi als bewijs te claimen voor de effectiviteit van preventief militair ingrijpen. Dit is niet alleen een onjuiste, maar ook een riskante conclusie. Libië was immers al enkele jaren bezig om het imago van 'schurkenstaat' van zich af te schudden. Tripoli's toezeggingen af te zien van massavernietigingswapens is eerder het succes van de 'Europese' aanpak van aanhoudende diplomatie dan van Washingtons dreigementen met militair geweld. Het geval-Libië geeft daarom aan dat deze diplomatieke strategie ook de voorkeur verdient om probleemlanden als Iran en Syrië aan te pakken.

De Saulus/Paulus-bekering van Khaddafi komt minder onverwacht dan veelal wordt aangenomen. Sinds 1997 probeert Libië het isolement te doorbreken waar het door de internationale sancties na de aanslag op Pan Am -vlucht 103 boven Lockerbie onder gebukt gaat. Zo wees Tripoli in 1999 twee Libische veiligheidsagenten uit die door een Schotse rechtbank voor de aanslag zijn veroordeeld. Bovendien heeft Libië de 'civiele aansprakelijkheid' voor de Lockerbie-aanslag op zich genomen. In dezelfde geest van toenadering tot het Westen heeft Khaddafi zich direct na de aanslag van 11 september opgeworpen als een constructieve partner in de strijd tegen het terrorisme, en heeft hij de VS onder meer voorzien van informatie over het netwerk van Al-Qaeda.

Sinds vier jaar heeft Tripoli weer economische en politieke betrekkingen met Europa opgebouwd, wat het hervormingsproces in Libië een flinke zet in de rug heeft gegeven. Onder leiding van premier Shukri Ghanem vaart Libië sindsdien een economische hervormingskoers met als doel de privatisering van de oliesector en het aantrekken van buitenlandse investeringen. Khaddafi's zoon Saif al-Islam maakt zich bovendien sterk voor verdere politieke liberalisering. Het is dit hervormingsproces dat nu tot een climax is gekomen.

Romano Prodi, de voorzitter van de Europese Commissie, verklaarde daarom triomfantelijk dat Khaddafi's kentering 'de effectiviteit van discrete diplomatie en engagement van de Europese Commissie' bewijst. Hij mag daarin gelijk hebben, maar zowel de timing als de manier waarop het nieuws aan de internationale media werd gepresenteerd geeft een andere indruk. Het was immers de Amerikaanse president Bush die het goede nieuws live op CNN verkondigde. Nu blijkt dat Irak geen massavernietigingswapens heeft, zijn de VS en Groot-Brittannië naarstig op zoek naar bewijs dat hun beleid wel degelijk effect sorteert. Het 'Wonder van Libië' wordt daarom als rechtvaardiging van de 'Bush doctrine' aangevoerd. Maar zoals vele wonderen, heeft ook Khaddafi's bekering een banale achtergrond. Immers, zonder hervormingen dreigt voor Libië een aanhoudend politiek isolement. Het alternatief is daarentegen zeer aanlokkelijk, want als alle handelsbelemmeringen worden opgeheven, kan Libiës olierijkdom eindelijk ten volle worden aangesproken.

Men zou zich kunnen afvragen waarom de VS en Groot-Brittannië deze 'triomf' niet zou mogen worden gegund. De belangrijkste reden is dat uit het geval-Libië verkeerde beleidsconclusies kunnen worden getrokken. Maar al te gemakkelijk wordt nu geconcludeerd dat Khaddafi bang werd dat hem hetzelfde lot als Saddam Hoessein ten deel zou vallen, en dat daadkrachtig militair optreden klaarblijkelijk meer succes heeft dan diplomatie.

De juiste slotsom moet echter zijn dat de oorlog tegen Irak voor Khaddafi hoogstens de druppel was die de emmer deed overlopen. Maar, zoals iedereen weet, moet die emmer dan eerst wel bijna vol zijn. Militair ingrijpen - of de dreiging daarmee - speelt natuurlijk een rol bij de indamming van de proliferatie van massavernietigingswapens en het internationale terrorisme. Dit heeft ook de EU erkend in de recentelijk geaccepteerde Europese veiligheidsstrategie. Maar succesvol beleid vergt een zorgvuldig afgewogen 'policy-mix' waar nog steeds uiterst behoedzaam met militaire middelen moet worden omgesprongen. Als recente ontwikkelingen één ding duidelijk maken, is het dat aanhoudende economische en politieke pressie op de lange termijn wel degelijk effect sorteren. Deze lijn moet daarom ook worden doorgevoerd ten aanzien van landen als Iran en Syrië.

De andere onjuiste beleidsconclusie is dat internationale ontwapeningsverdragen en hun controlerende instanties aan nut hebben verloren. Niets is minder waar. Zonder het huidige netwerk van verdragen zou de internationale gemeenschap niet de politieke druk kunnen uitoefenen op landen als Iran en Libië om zich überhaupt aan die regels te houden. Het gaat erom deze verdragen te versterken en hun verificatie te verbeteren. Ook hier blijft doortastende diplomatie onmisbaar.

Het geval-Libië mag daarom niet voor oneigenlijke politieke doeleinden worden ingezet. Het is noch een rechtvaardiging achteraf voor de invasie van Irak, noch een blijk dat militaire macht zaligmakend is.