Research

Articles

Wederopbouwmodel zal ook in Irak falen

15 Mar 2006 - 00:00
Ondanks alle mooie beloftes van donoren levert internationale wederopbouwhulp aan 'mislukte' staten geen bemoedigend beeld op. Volgens Jeroen de Zeeuw is er behoefte aan een realistischer aanpak.De in Madrid gehouden donor conferentie over Irak bevestigt hetgeen onafhankelijke deskundigen al jaren roepen: internationale steun aan naoorlogse wederopbouw is onvoldoende, van geringe invloed en komt veelal te laat. Ervaringen in Mozambique, Ethiopië, Rwanda en recent Afghanistan laten allemaal hetzelfde beeld zien. Ondanks mooie beloftes en uitgebreide internationale steun voor verkiezingen, vergaande politieke, juridische en sociaal-economische hervormingen en internationale toezeggingen van vele miljarden euro's is het deze en andere postconflict landen nog niet gelukt echte voortgang te boeken met de opbouw van een democratische staat. De naoorlogse wederopbouw van Irak lijkt daarop geen uitzondering te worden. De oorzaak van dit 'falen' is te wijten aan het samenspel van factoren: Allereerst schort er nogal wat aan het realiteitsgehalte van het wederopbouwmodel dat donoren momenteel voor ogen staat. Volgens het boekje dienen er zo snel mogelijk verkiezingen te worden gehouden, liefst binnen twee jaar. In de tussentijd moeten alle oud-strijders ontwapend zijn - in sommige gevallen onder toeziend oog van een internationale vredesmacht -, en dient de zojuist aangetreden overgangsregering een ambitieus pakket aan hervormingsmaatregelen door te voeren. Die variëren van de instelling van een onafhankelijke rechtsspraak, reorganisatie naar een transparanter overheidsapparaat en het onder civiele controle brengen van de veiligheidssector.

Waar het zelfs gevestigde 'democratieën' de grootst mogelijke moeite en vele tientallen jaren heeft gekost enkele van deze maatregelen door te voeren, is het voor zwakke of 'mislukte' staten bijna onmogelijk de gehele klus te klaren binnen twee a vijf jaar.

Een tweede belangrijk obstakel is de internationale gemeenschap zelf. Zo hebben internationale donoren, met uitzondering wellicht van de steun aan Kosovo en Bosnië, herhaalde malen blijk gegeven van een gebrekkige politieke wil. Dit heeft zich niet alleen geuit in het wegebben van internationale diplomatieke druk zo gauw er een vredesakkoord is getekend, maar ook in het niet nakomen van financiële toezeggingen. In sommige postconflict landen (onder andere Zuid-Afrika, Cambodja) blijkt na zes jaar niet meer dan 60 procent van de oorspronkelijke toezegging te zijn overgemaakt. Nederland is overigens een van de weinige trouwe betalers.

De uitspraak van Europees commissaris Chris Patten in het kader van de wederopbouwconferentie voor Irak dat het geen zin heeft grote geldbedragen toe te zeggen zonder inzicht in de juiste besteding daarvan is tegen deze achtergrond ronduit hypocriet te noemen. Afgezien van het gebrek aan politieke wil, is die nogal eens tegenstrijdig: bijvoorbeeld in Afghanistan. Terwijl de VN en een aantal andere belangrijke donoren de regering-Karzai helpen met het ontwapenen van milities om het gebied buiten Kabul onder controle te krijgen, hebben de VS in de strijd tegen Al-Qa'ida doelbewust krijgsheren herbewapend.

Ten slotte is gebleken dat internationale wederopbouw en met name democratiseringshulp slechts een (zeer) geringe invloed heeft op de interne politieke ontwikkelingen in postconflict landen. Een land als Cambodja, dat vreemd genoeg door velen nog steeds als een 'succesverhaal' wordt beschouwd, is hiervan een goed voorbeeld. Goede bedoelingen, aanzienlijke politieke druk en vele miljoenen euro's hulpgeld na het vredesakkoord van 1991 hebben er niet voor kunnen zorgen dat de belangrijkste oppositiepartijen hopeloos verdeeld zijn. Het land is na tien jaar 'democratisering' feitelijk een een-partij staat waar de vrijheid van meningsuiting en politieke organisatie straffeloos met harde hand de kop wordt ingedrukt door een semi-autoritaire leider die inmiddels al twintig jaar aan de macht is. De door de minder kritische EU-landen en internationale donoren als 'eerlijk en vrij' bestempelde verkiezingen van juli jl. zijn in wezen een legitimatie van het huidige regime en onderstrepen daarmee het falen van de internationale hulp.

Er vanuit gaande dat volledige donorcoördinatie en een langere politieke aandachtsspanne nog ver verwijderde idealen zijn ('postconflict Soedan staat alweer voor de deur'), is er behoefte aan een realistischer aanpak:

Help zwakke regeringen met het opstellen van een reëel stappenplan in plaats van het opleggen van een overambitieus en allesomvattend wederopbouw model.

Stel duidelijke prioriteiten: schoon drinkwater, elektriciteit en veiligheid zijn op de korte termijn belangrijker voor de lokale bevolking dan inspraak in of het kiezen van een nieuw overheidsbestuur.

Stel duurzaamheid en zelfredzaamheid voorop: het voor langere tijd ondersteunen van een goed functionerende mensenrechtenombudsman, onafhankelijk radiostation of verkiezingswaarnemingsorganisatie is beter dan het fragmentarisch financieren van honderden, onrepresentatieve niet-gouvernementele organisaties, die allemaal strijden om de toch al karige wederopbouwpot.

Tot slot, en daar lijkt onder anderen commissaris Patten toch iets te hebben geleerd van eerdere studies: kanaliseer de hulp zoveel mogelijk via zogenoemde 'multi-donor trust funds', die onder gezamenlijke controle staan van de VN en de nieuwe regering van het desbetreffende land.