Terroristen krijgen meer ruimte door oorlog Irak
Hoewel de oorlog tegen Irak bedoeld was om een regime tot de orde te roepen dat over massavernietigingswapens zou beschikken, kan de Amerikaans-Britse militaire actie wel eens een onveiliger wereld opleveren. Terroristen en regimes die kwaad willen en zich niets aantrekken van bestaande internationale akkoorden, lijken meer ruimte te krijgen, meent Peter van Ham.
De huidige oorlogsperikelen laten ons bijna vergeten waarom het regime van Saddam Hussein moet verdwijnen: om te voorkomen dat een schurkenstaat als Irak zijn nucleaire, chemische en biologische wapenprogramma's verder kan ontwikkelen. Ook al is de band tussen Irak en Al-Qaeda niet aangetoond, de grootste strategische nachtmerrie blijft een jihad van extremistische moslimterroristen die kunnen beschikken over non-conventionele wapens.
Het is de vraag of de huidige oorlog dit scenario onmogelijk maakt. Gezien het opflakkerende extremisme in het Midden-Oosten, lijkt de dreiging van terroristische acties groter dan ooit. Het gevaar is nu tevens dat het fragiele netwerk van non-proliferatieverdragen (akkoorden die de verspreiding van nucleaire en andere massavernietigingswapens moeten tegengaan) uiteen valt. Het is daarom noodzakelijk non-proliferatie zeer hoog op de transatlantische agenda te plaatsen.
De nieuwe vorm van 'catastrofaal terrorisme' heeft als oogmerk zoveel mogelijk slachtoffers te maken. Het 'klassieke' terrorisme (zoals de Baskische onafhankelijkheidsbeweging ETA) is minder bloeddorstig omdat het zonder brede politieke steun geen bestaansgrond meer heeft. Het probleem is dat voor de fabricatie van diverse non-conventionele wapens huis-tuin-en-keukenproducten voldoende zijn. Het is weliswaar moeilijk (en gevaarlijk) om deze wapens vervolgens op een raket te installeren, maar het is relatief eenvoudig om er enorme paniek mee te veroorzaken.
Het gevaar gaat met name uit van zogeheten dirty bombs, waarbij de aanslag van de Aum Shinrikyo-sekte op de Tokiose metro in 1995 nog steeds het enige voorbeeld is. Elk spoor van zenuwgas in de metrosystemen van Londen of Washington DC zou het normale leven in grote steden lamleggen, met desastreuze economische en sociale gevolgen. We hebben het daarom niet alleen meer over massavernietigingswapens, maar ook over massa-ontwrichtingswapens.
Een ander probleem is dat Amerika's obsessie met Irak andere bedreigingen naar het tweede plan schuift. Tot voor kort werden Pakistan en India nog onder druk gezet om hun nucleaire wapenprogramma's te stoppen, maar sinds 11 september 2001 zijn beide landen erkend als de facto nucleaire machten. Noord-Korea stapte onlangs uit het Non-proliferatieverdrag (NPV) en test regelmatig raketten boven de Japanse Zee. Het regime in Pyongyang is tevens hofleverancier van non-conventionele wapensystemen en componenten bij diverse landen in het Midden-Oosten. Toch wordt dit regime met fluwelen handschoenen aangepakt. Ook Iran heeft een nucleair programma waarvan de militaire dimensie onduidelijk blijft.
De oorlog met Irak heeft tevens de verhouding tussen de Verenigde Staten en Rusland onder druk gezet, waardoor de geplande vernietiging van de grote voorraden nucleair materiaal die nu nog her en der in Rusland zijn opgeslagen, verder wordt vertraagd.
De vraag is welke conclusies hieruit moeten worden getrokken. Een slotsom die voor de hand ligt, is dat de Verenigde Staten slechts bereid zijn een exponent van de 'As van het Kwaad' aan te pakken wanneer deze nog geen nucleaire wapens heeft; anders wordt het te riskant.
Een andere conclusie is dat de atoomdrempel overschreden mag worden wanneer een land maar aan 'onze' kant staat in de oorlog tegen het terrorisme.
Beide conclusies zouden desastreus zijn voor het bestaande netwerk van verdragen dat tot nu de proliferatie in toom houdt. Natuurlijk zijn deze verdragen verre van waterdicht: het Iraakse lidmaatschap van het Non-proliferatieverdrag weerhield het er niet van heimelijk nucleaire wapens te ontwikkelen.
Toch zijn dit soort verdragen, en met name de algemeen geaccepteerde non-proliferatienorm waarop ze zijn gebaseerd, de enige barrière tussen orde en chaos. Dat mag klinken als een zwaktebod, maar het is wel een systeem dat decennialang zeer succesvol is geweest en daarom gekoesterd, en niet ondermijnd zou moeten worden.
Dit past echter niet in het wereldbeeld van de neoconservatieve beleidsmakers in Washington, die wars zijn van verdragen en multilaterale organisaties. Zo zijn de Verenigde Staten als één van de weinigen geen lid van de Chemische Wapenconventie, houden zij zich nog steeds het recht voor nucleaire wapens te testen, en blokkeren elke vooruitgang in de richting van een mogelijke Biologische Wapenconventie.
Bovendien heeft de regering-Bush vorig jaar aangegeven onder bepaalde omstandigheden tactische nucleaire wapens in te zetten (waaronder de 'bunker buster', waar raketten met kleine kernkoppen ondergrondse silo's en bunkers onschadelijk moeten maken). Amerika's doctrine van de 'preventieve aanvalsoorlog' legt de nadruk op militaire macht om non-proliferatie geheel uit te bannen, hetgeen uit de aard der zaak onmogelijk is.
Hoe belangrijk terrorismebestrijding ook mag zijn, het is van groot belang om niet uit pragmatische overwegingen de non-proliferatienorm te ondergraven. De Duitse bondskanselier, Gerhard Schröder, riep daarom vorige week op tot een breed debat over de internationale aanpak van de dreiging van proliferatie. Gezien de koele betrekkingen tussen Washington en Berlijn zal dit idee waarschijnlijk niet de aandacht krijgen die het verdient.
Hier ligt een taak voor Nederland om niet alleen een acute strategische dreiging bij de horens te vatten, maar ook om de vastgelopen transatlantische betrekkingen door middel van een gezamenlijk project weer op gang te brengen.