Research
Articles
Britse pluim op Europese hoed
Maar als we ons even losmaken van de huidige malaise-achtige situatie en het probleem in een langer tijdsperspectief plaatsen, dan rijst de vraag of de economische ambities van Europa wel reëel en nastrevenswaardig zijn. Originele antwoorden op deze vraag zijn te vinden in het boek Just Capital. The Liberal Economy, van de hand van Adair Turner, voormalig directeur-generaal van de Confederation of British Industries (CBI) en thans vice-voorzitter van Merrill Lynch Europe.
Filippica
In een voetnoot merkt Turner op dat de mensen die bekend zijn met de CBI zich misschien zullen afvragen of hij geen afstand neemt van de 'taal' en de argumenten die hijzelf als directeur-generaal van deze organisatie hanteerde. Zijn antwoord daarop is: mea culpa. Uiteraard prikkelt zo'n bekentenis de nieuwsgierigheid. En Turner stelt zijn lezers niet teleur. Een groot deel van zijn werk bestaat uit een intelligente en soms vermakelijke filippica tegen wat hij de intellectuele arrogantie van marktfundamentalisten noemt: de ultraliberalen die verder willen opschuiven in de richting van het Amerikaanse model en die pleitbezorger zijn van belastingverlaging, loonmatiging, minimale arbeidsstandaarden, afschaffing van het minimumloon, minimale milieubeschermingsmaatregelen, enz. En dat alles ter wille van het behoud of versterking van de concurrentiekracht van het VK of Europa.
Maar in navolging van de Amerikaanse econoom Paul Krugman is Turner van mening dat het geen zin heeft om het begrip concurrentievermogen op landen toe te passen. Bedrijven concurreren met elkaar, landen niet. En getuige de relatief gunstige lopende rekening van de betalingsbalans is er niets mis met de concurrentiepositie van Europa. Dat het inkomen per hoofd van de bevolking in de VS hoger is dan in Europa dient aan maatschappelijke keuzen te worden toegeschreven. Gegeven het feit dat de Amerikanen langer werken en een hogere arbeidsparticipatie kennen, hecht men in de VS kennelijk relatief hogere waarde aan geldelijk inkomen en relatief lagere waarde aan vrije tijd dan in Europa. Daaruit kan het inkomensverschil tussen de twee bijna helemaal worden verklaard. Een deel van de welvaart van de Europeanen bestaat uit vrije tijd, maar die wordt niet in het bnp-cijfer tot uitdrukking gebracht. Maar dat betekent nog niet dat de Europeanen minder welvarend zijn.
Manoeuvreerruimte
Op overeenkomstige wijze hebben landen ook een behoorlijke manoeuvreerruimte om hun eigen sociale zekerheidsstelsels, milieubeleid, regulering, ruimtelijke ordening enz. in te vullen. Voor zover deze tot hogere lasten voor bedrijven leiden, zorgt het economisch mechanisme ervoor dat deze worden gecompenseerd door verlaging van de reële nettolonen. Mondialisering beperkt die ruimte weliswaar enigszins, maar toch lang niet zo veel als de rechtse ultraliberalen beweren en de linkse mondialiseringspessimisten vrezen. Kijk maar naar Nederland, een van de meest geïnternationaliseerde economieën in Europa, aldus Turner.
Bij oppervlakkige lezing van verschillende passages bekruipt de lezer het gevoel dat de auteur ingaat tegen de huidige beleidsconsensus die voortgaande economische liberalisering voorstaat. Maar dat is toch maar schijn, want als het op concrete beleidsmaatregelen aankomt, ontpopt Turner zich toch in het algemeen als een warm voorstander daarvan. Vooral de EU krijgt daarbij vele pluimen op de hoed, hetgeen opmerkelijk is omdat deze afkomstig zijn van een Brit. Tal van maatregelen die de EU op dit gebied heeft genomen en die nog in de pijplijn zitten, worden door hem als een ontwikkeling in de goede richting toegejuicht. Bovendien is hij pleitbezorger van Britse deelname aan de euro.
Een enkele keer gaat Turner mijns inziens in de fout. Dat geldt bijvoorbeeld voor zijn analyse van het economische drama in Japan en de maatregelen die dit hadden kunnen voorko-men. Deze analyse is op zijn zachtst gezegd bizar. Japan had volgens hem op de oude vertrouwde Keynesiaanse wijze vraagstimulering moeten toe-passen door de bankbiljettenpers wat sneller te laten draaien, waardoor de staatsschuld niet zou zijn gestegen. Afgezien van het feit dat een dergelijk beleid in andere landen reeds overtuigend heeft bewezen niets te helpen - integendeel, op glorieuze wijze heeft gefaald - zal het in de Japanse context waarschijnlijk nog méér ellende te-weegbrengen. Immers, het kenmerk van het Japanse sociaal-economisch model is dat het prijs- en marktmechanisme op tal van manieren wordt gemanipuleerd om sociale en politieke doelstellingen te verwezenlijken - veel méér dan in de westerse markt-economieën het geval is. En als het prijs- en marktmechanisme niet goed functioneert, is er geen mogelijkheid om economisch rationele beslissingen te nemen. Het is als varen op een schip zonder kaart en kompas. De door Turner bepleite vraagstimulering door een verhoging van de overheidsuitgaven leidt tot inflatie en een extra verstoring van het prijsmechanisme. Het gevolg daarvan is nog méér irrationele economische beslissingen. Daarom is het verstandig van de Japanse regering om thans te streven naar structurele aanpassingen in plaats van macro-economische stimulering die in het verleden een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan van alle narigheid.
Broeikasgassen
Ook zijn behandeling van de COÃ-problematiek is opvallend - zo niet frivool - voor een ex-werkgeversvoorzitter en geheel in lijn met het dogma van het IPCC, het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), dat verantwoordelijk is voor de wetenschappelijke onderbouwing van het Kyoto-verdrag. Turner erkent dat er onzekerheden zijn of de door de mens geproduceerde broeikasgassen wel tot een opwarming van de aarde zullen leiden en dat dit allerlei catastrofale gevolgen zal hebben. Maar in dit geval dient volgens hem het voorzorgsbeginsel te prevaleren. Hij sluit zich aan bij de doelstelling van een vermindering van het energieverbruik van 60%-80% in 50 tot 100 jaar. Hij acht dat niet onoverkomelijk. Maar voor iemand met een bedrijfslevenachtergrond had men toch wel een meer rationele analyse mogen verwachten. Immers, menig ceo zal zich toch wel even achter de oren krabben als hij een memo van 17 pagina's zou krijgen voor een nieuwe bedrijfsstrategie waarin zo'n 40 keer het woord onzeker(heid) of equivalenten daarvan voorkomen - zoals in de 'Summary for Policy-makers' van het IPCC het geval is - wetende dat hij met deze strategie het voortbestaan van zijn bedrijf op het spel zet.
Maar los van de onzekerheden die door het IPCC worden erkend, heerst er ook buiten het IPCC veel twijfel. In tegenstelling tot wat veelal wordt aangenomen, bestaat er onder gekwalificeerde wetenschappers helemaal geen consensus over de vraag of de aarde wordt opgewarmd door antropogene broeikasgassen en, als dit al het geval mocht zijn, dat dit tot catastrofale gevolgen zal leiden. Het zou Turner gesierd hebben indien hij het hoofd koel had gehouden in al dat opwarmingsgedoe.
Afwentelingsmechanisme
Wat betreft de door Turner gepostuleerde automatische aanpassing van de reële lonen na verhoging van de lastendruk, rijst de vraag wat er gebeurt als dat mechanisme nu eens niet of ver-traagd werkt, omdat de werknemers door hun werkgever gecompenseerd willen worden voor een verhoging van de sociale lasten en/of belastingen: het zogenoemde afwentelingsmechanisme? Of wanneer er geen flexibele wisselkoersen zijn met de belangrijkste buitenlandse handelspartners, zoals in de eurozone. Dan ontstaat er wel degelijk een concurrentieprobleem. Turner erkent overigens dat dat het geval kan zijn, maar wandelt er betrekkelijk luchtigjes overheen.
Per saldo biedt Turner in Just Capital echter een bijzonder intelligente en lezenswaardige analyse van de ontwikkeling van verschillende modellen van de markteconomie die er thans in de wereld bestaan en maakt hij aannemelijk dat de mogelijkheden die individuele landen hebben om hun eigen maatschappelijke en economische keuzen te maken veel groter zijn dan sommige anti-globalisten denken, zonder dat dat een negatief effect hoeft te hebben op hun concurrentievermogen. In het algemeen weet hij zijn stellingen op uitstekende en heldere wijze te beargumenteren. Ook als men het niet met Turner eens is, blijft respect voor de wijze waarop hij zijn opvattingen verdedigt. Opvallend is ook hoe vaak hij verwijst naar de ontwikkeling van de Nederlandse economie om zijn centrale boodschap te onderbouwen. Dat is mijns inziens grosso modo terecht, zij het dat hij de structureel zwakke plek daarvan - het grote aantal mensen in de WAO - negeert, waardoor toch een iets te rooskleurig beeld ontstaat.
Adair Turner, Just Capital: The Liberal Economy, MacMillan, London 2001, 400 pag, Prijs £ 20, ISBN 0 333 90071 5.