Research
Articles
Europa zal moeten leven met raketschild VS
Naast het toegenomen zelfbewustzijn heerst in de Europese hoofdsteden ook onzekerheid over de uiteindelijke richting van het buitenlands beleid van Bush. Een van de duidelijke nieuwe tendensen is het zware accent op militaire en niet zozeer op politieke oplossingen en keuzes. Het duidelijkst komt dit naar voren in de Amerikaanse plannen voor een raketschild. Dat zo?n schild er komt, staat vast. Hoe en wanneer deze plannen worden uitgevoerd zijn onbeantwoorde vragen. Vanwege het ontbreken van zulke antwoorden en het niet kunnen overzien van de gevolgen kiezen belangrijke bondgenoten als Frankrijk en Duitsland voor terughoudendheid, die aan afwijzing grenst.
Aanpassing
Veel ruimte om het plan voor het raketschild zo uit te voeren dat daaronder de verhouding met Rusland niet hoeft te lijden biedt Bush vooralsnog niet. Het uit 1972 daterende ABM-verdrag dat beperkingen oplegt aan de invoering van een raketschild heeft, als het aan Bush ligt, zijn langste tijd gehad. Met overeenstemming tussen de Verenigde Staten en Rusland over een aanpassing van dat verdrag zou al veel van het Europese ongemak met de Amerikaanse plannen worden weggenomen. Een tussen beide landen overeen te komen aanpassing is niet onrealistisch. In de eerste plaats heeft Rusland erkend dat de proliferatie van massavernietigingswapens en ballistische raketten een dreiging is. In de tweede plaats is het mogelijk de Amerikaanse plannen zo uit te voeren dat alleen in potentiële crisisgebieden anti-raket wapens worden opgesteld. Het gaat hier om wapens die ballistische raketten kort na hun lancering kunnen uitschakelen. Zo?n opzet laat de kernmachten van Rusland en China ongemoeid. De Russische en Chinese strategische raketten staan ver landinwaarts opgesteld. Met deze zogeheten ?boost-phase?-antiraketwapens is een afdoend antwoord op dreigingen van landen als Noord-Korea en Irak mogelijk.
Een derde aanknopingspunt voor zo?n overeenstemming is de bescherming tegen de dreiging van kortere afstandwapens. De VS vrezen dat landen als Noord-Korea en Irak het Amerikaanse veiligheidsbeleid en met name de inzet van Amerikaanse militairen in crisisgebieden kunnen verlammen. Als Saddam Hoessein in 1990 de beschikking zou hebben gehad over kernladingen voor zijn Scud-raketten, zouden de VS en hun bondgenoten hebben teruggedeinsd om het door Irak bezette Koeweit gewapenderhand te bevrijden. Zo luidt de redenering van president Bush. Als de bescherming van in te zetten eenheden inderdaad de kern van het probleem achter de invoering van een raketschild is, dan ligt de invoering van systemen tegen de dreiging met kortere afstandraketten voor de hand. Op dat punt bestaat tussen de meeste Europese landen en de VS geen verschil van mening.
Opmerkelijk is dat in Washington de stelligheid achter de invoering van een raketschild gelijk opgaat met grote onduidelijkheid over de opzet van zo?n raketschild. Wat voor soort systemen binnen welk tijdschema in aanmerking komen voor invoering is niet helder. Aan de ene kant wil minister van Defensie Rumsfeld niet te lang wachten met de invoering van de eerste systemen voor de bescherming van Amerikaans grondgebied. Hij neemt daarbij het risico van nauwelijks beproefde systemen voor lief. In het Pentagon hebben militair-technische mogelijkheden duidelijk voorrang boven een evenwichtige benadering waarin daarnaast ook nog ruimte voor politieke aanpak en sturing is. Aan de andere kant heeft Bush sinds kort te maken met een Democratische meerderheid in de Senaat die eerst zekerheid over de technische haalbaarheid en de kosten wil hebben voordat met de uitvoering van het raketschildplan wordt begonnen. Pas in de zomer wordt in volgende aanvullende begrotingen vastgelegd hoe het antiraketplan zich zal ontwikkelen.
Invalshoek
Voor Europa biedt deze korte adempauze de enige gelegenheid om vanuit een politieke invalshoek nog invloed op de ontwikkeling van de Amerikaanse plannen uit te oefenen. De eerste voorwaarde daarvoor is dat de Europese landen de rijen sluiten en een gemeenschappelijk standpunt innemen. Dat zal niet makkelijk zijn, omdat naast de Franse en Duitse terughoudendheid ook sprake is van instemming door landen als Italië, Spanje, Polen, Tsjechië en Hongarije. Tegelijkertijd biedt de ontwikkeling van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid houvast voor een gezamenlijke standpuntbepaling. Europa kan het zich niet permitteren op zo?n fundamenteel onderdeel voor zijn veiligheidsbeleid verdeeld te zijn. Sterker nog: het toegenomen zelfbewustzijn van Europa zou dan een stevige knauw krijgen.