Research
Articles
De marktwerking van Nederland kan nog veel beter
Deze benadering was geënt op de 'harde' wetenschappen, zoals de natuurkunde. Als motto gold: wetenschap is pas échte wetenschap als er gekwantificeerd kan worden, de rest is zachte alfapraat. De voorstanders van de aanbodeconomie konden hier moeilijk iets tegenoverstellen. Immers, de bevordering van marktwerking omvat een breed en gevarieerd palet aan maatregelen dat zich zeer moeilijk laat kwantificeren en zich in het algemeen niet of nauwelijks in macro-economische modellen laat onderbrengen.
Toch is over de jaren heen een indrukwekkende hoeveelheid materiaal verzameld die aantoont dat datgene wat aanvankelijk als alfapraat werd afgedaan, in feite veel harder is dan de cijfertjes van de macro-economie. Of, zoals de Amerikaanse econoom Charles Wolf jr ooit eens opmerkte: 'Not everything that counts can be counted, and not everything that can be counted counts.'
Een opmerkelijk voorbeeld is de onlangs verschenen studie van Jane Edwards & Jochen Schanz, Global Economics, Faster, Higher, Stronger, An International Comparison of Structural Policies. Hierin presenteren zij een nieuwe index voor de kwaliteit van de aanbodkant van de economie.
Hiertoe hebben de auteurs zo'n 400 variabelen in drie categorieën gegroepeerd:
- factoren die de potentiële groei bevorderen, zoals onderwijs, technologie, actief arbeidsmarktbeleid en ondernemerschap;
- factoren die van invloed zijn op het functioneren van de arbeidsmarkt, zoals lonen en kosten, flexibele arbeidsinzet, werkloosheidsbescherming, belastingen en uitkeringen;
- factoren die het prijsniveau beïnvloeden, zoals concurrentie, schaalvoordelen, concurrentie op het gebied van hightech, prijzen en productiviteit.
Hieruit destilleren zij drie deelindexen die vervolgens in een samengestelde index worden geïntegreerd. De hieruit volgende score wordt in bijgaande grafiek geïllustreerd.
Met een score van 5 komt Nederland op de 10de plaats op de ranglijst: 0,2 punt boven het gemiddelde van het eurogebied.
De navolgende lessen die de auteurs uit hun onderzoek trekken zijn opmerkelijk, niet in de laatste plaats vanwege de expliciete verwijzingen naar de ervaringen met het Nederlandse poldermodel:
- Er gaat geruime tijd overheen voordat beleidsveranderingen tot significante verbeteringen leiden in het economisch prestatievermogen van landen.
- Het is politiek gezien gemakkelijker een beleid van geleidelijke maar gestage kleine stappen door te voeren (in het bijzonder onder centrum-linkse coalitieregeringen) dan van radicale, grote stappen, maar uiteindelijk kunnen deze toch tot grote verbeteringen over de hele linie leiden, bijvoorbeeld de Nederlandse ervaring).
- Radicale beleidsveranderingen hebben in het algemeen slechts plaats gevonden als gevolg van economische crises, bijvoorbeeld Zweden en VK, of een regeringswisseling.
- Het is niet noodzakelijk om op alle beleidsterreinen veranderingen door te voeren (arbeidsmarkt, productmarkten en potentiële groei) om een verbetering van de economische prestaties te bereiken, bijvoorbeeld Zweden en Finland, maar er is reden om aan te nemen dat de landen die dat wél doen daar ook het meest van profiteren, bijvoorbeeld Nederland.
- Grotere prestatieverbeteringen kunnen worden bereikt wanneer structurele hervormingen vergezeld gaan van een gezond macro-economisch beleid, bijvoorbeeld in positieve zin in Nederland in het begin van de jaren negentig en, in negatieve zin, in het VK en Nieuw Zeeland.
Een mooiere opsteker voor de Nederlandse economische beleidsmakers is nauwelijks denkbaar, en te meer daar deze uit onverwachte en onverdachte hoek komt. Maar ondanks veel lof voor de Nederlandse prestaties scoort ons land toch veel lager dan de kopgroep waarin in het bijzonder de Angelsaksische landen sterk zijn vertegenwoordigd. Dat betekent dat er nog ruime mogelijkheden voor verbetering zijn en er in het geheel geen reden is om op onze lauweren te rusten.