Research

Articles

Kritiek op euthanasie is taalkwestie

15 Mar 2006 - 00:00
Schrap je het woord euthanasie dan ben je van een hoop internationale ellende af. Stervenshulp klinkt veel aardiger en wordt ook door veel meer mensen gesteund. Met een andere benaming worden de reacties uit het buitenland vanzelf positief, zelfs de Duitse.

Nederland is de eerste staat ter wereld die euthanasie wettelijk heeft geregeld. Hoewel ons land graag een voortrekkersrol speelt en men daarover een gevoel van trots vaak niet kan onderdrukken, bestaan er nu wel zorgen over de reacties van over de grens. Vooral in Duitsland is veel aandacht voor het debat en de besluitvorming in ons land.

Terecht maakt men in Duitsland onderscheid tussen stervenshulp (Sterbehilfe) en euthanasie. Euthanasie wordt in het geheugen van Duitsers overschaduwd door het verleden. Zij associëren de term met de moorden die tijdens de nazi-tijd zijn begaan. De angst voor zulke praktijken zit diep.

Artikel 216 van het Duitse Wetboek van Strafrecht, dat gaat over 'Tötung auf Verlangen', maakt actieve hulp bij levensbeëindiging in alle gevallen strafbaar. Merkwaardig genoeg is de straf aanmerkelijk lichter dan in Nederland, zelfs vergeleken met de nieuwe wet: in Duitsland staat maximaal vijf jaar op overtreding, terwijl in Nederland een arts tot twaalf jaar kan krijgen, indien deze niet volgens de wet heeft gehandeld. De Bundesärtzenkammer, de Duitse artsenorganisatie die regulerende bevoegdheden heeft, verbiedt zijn leden hoe dan ook aan euthanasie mee te werken.

In de periode dat in Nederland de wet op euthanasie behandeld werd, zijn in Duitsland enkele enquêtes gehouden. Uit de enquête van onderzoeksinstituut Forsa, gehouden in oktober 2000, bleek een meerderheid voorstander van 'Sterbehilfe'. Bij de vragen met concrete situaties was tussen de 60 en 70 procent vóór actieve hulp bij levensbeëindiging. De stelling dat bij ongeneeslijk zieken actieve hulp bij levensbeëindiging was toegestaan, werd zelfs door 81 procent van de respondenten ondersteund.

Een tweede onderzoek, van onderzoeksbureau Emnid, laat zien dat de instemming met stervenshulp in Duitsland groeit. Vooral de voorkeur voor het inzetten van moderne medicatie om pijn te verlichten met een niet levensverlengende uitkomst, is toegenomen: van 34,8 procent in 1997 tot 56,6 procent in 2000. In die jaren is de steun aan actieve stervenshulp volgens dit onderzoek echter afgenomen van 41,2 procent tot 35,4 procent.

Een krant die zich krachtig tegen het Nederlandse wetsvoorstel heeft opgesteld, die Welt, hield maart van dit jaar een 'niet-representatief onderzoek' onder de eigen lezers. Van hen wees 62 procent actieve hulp bij levensbeëindiging af. Slechts 13 procent maakte gebruik van de mogelijkheid ook commentaar te geven.

De Nederlandse wetgeving heeft het debat in Duitsland aangezwengeld. De oproep van CDU-afgevaardigde Hubert Hüppe om sancties tegen Nederland in te stellen, lijkt echter op weinig steun te kunnen rekenen. De minister van justitie, Herta Däubler-Gmelin (sociaal-democraten) keerde zich óók tegen legalisering van stervenshulp, maar riep wel op tot het inzetten van pijnverlichtende geneesmiddelen die het leven niet verlengen. Haar partijgenote Regine Hildebrand, die zelf aan borstkanker lijdt, toont zich een uitgesproken voorstander van de legalisering van stervenshulp.

Het Duitse beeld is dus niet zo zwart-wit als we soms voorgeschoteld krijgen. Zolang het niet gaat om 'Euthanasie' is er debat mogelijk. Het Nederlandse 'imago-onderzoek' van november 2000, stelt dan ook terecht dat wanneer het onderwerp omschreven wordt als 'Sterbehilfe' het een andere lading krijgt en de Duitse respondenten positief oordelen.

De Nederlandse politici en media doen er dus verstandig aan niet het woord 'euthanasie' te gebruiken. De wetgever biedt daartoe een handreiking door te spreken van de 'Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding'.