Research
Articles
De zachte heelmeesters van de Europese Unie
Geheel in lijn met Thurows optimisme kwam de Europese Top van Lissabon acht jaar later, in maart 2000, met een verklaring die blaakte van zelfvertrouwen. In deze verklaring staat dat Europa zich tot doel stelt om in tien jaar de meest dynamische kenniseconomie in de wereld te worden. Een gemiddelde economische groei van 3% per jaar werd mogelijk geacht. Daarnaast zou de arbeidsparticipatie met zo'n 10% dienen te stijgen.
Zijn deze ambities realistisch? Als wij de ervaringen van de afgelopen tien jaar als leidraad nemen, mag daaraan worden getwijfeld. Immers, zowel wat betreft groei als arbeidsparticipatie deed de Amerikaanse economie het beduidend beter dan de Europese.
De Zweedse econoom Assar Lindbeck maakt een nuttig onderscheid tussen zachte en harde beleidsopties. De eerste categorie bevat maatregelen die nauwelijks controversieel zijn, maar waarschijnlijk minder doeltreffend of pas op langere termijn effect sorteren. De tweede categorie betreft maatregelen die politiek controversieel zijn, maar meer succes op korte termijn beloven.
Tot de eerste categorie behoren bijvoorbeeld maatregelen als macro-economische vraagstimulering door overheden. Daarnaast kunnen worden genoemd: de verdere voltooiing van de interne markt, infrastructurele investeringen, inclusief in onderzoek en ontwikkeling; de bevordering van ondernemersactiviteit, in het bijzonder bij kleine bedrijven; investeringen in menselijk kapitaal om de employability te bevorderen; lagere belastingen en sociale lasten op arbeid, in het bijzonder voor de lagere inkomensgroepen om de armoedeval op te heffen en de macro-economische dialoog met de sociale partners, zoals afgesproken op de Top van Keulen.
Dat alles is ongetwijfeld wenselijk, maar het zal wel even duren voordat zij een positief effect hebben op de werkgelegenheid.
Onder de hardere maatregelen noemt Lindbeck: loonmatiging, de liberalisering van de ontslagwetgeving, minder royale werkloosheids- en andere uitkeringen om betaald werk aantrekkelijker te maken en wetgeving die de macht van de vakbonden en degenen die al een baan hebben, beperkt ten gunste van degenen die (nog) niet werken, bijvoorbeeld door het afschaffen van de algemeenverbindendverklaring van cao's.
Nederland heeft het de laatste tien jaar uitzonderlijk goed gedaan wat betreft de groei van de arbeidsparticipatie. Hoewel deze in absolute getallen nog achterblijft bij die in sommige andere Europese landen, onder meer vanwege de lage arbeidsdeelname van vrouwen, was de groei explosief in vergelijking met het gemiddelde van de EU.
Deze groei kan worden verklaard doordat Nederland reeds in een vroeg stadium een aantal maatregelen heeft genomen die Lindbeck als 'hard' kwalificeert, zoals loonmatiging (inclusief de achterstelling van ambtenarensalarissen bij die in de particuliere sector, korting op minimumlonen), verlaging van uitkeringen en strengere eisen om voor een uitkering in aanmerking te komen.
Kortom, Nederland heeft dus eerder door de zure appel heen gebeten dan vele andere Europese landen, en plukt daar nu de vruchten van.
Wat betreft de rol van de vakbeweging, die volgens Lindbeck zou dienen te worden teruggedrongen, lijkt de Nederlandse situatie ook af te wijken van die in vele andere Europese landen. Immers, de Nederlandse vakbeweging streeft er niet naar om uitsluitend ten behoeve van de werkenden het onderste uit de kan te halen, maar houdt traditioneel ook rekening met de belangen van de niet-werkenden. Met andere woorden, zij erkent dat zij een bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft en handelt daar ook naar.
Wat opvalt is dat de verklaring van Lissabon rijk is aan zachte beleidsopties maar arm aan harde. 'Best practices' en 'benchmarking' zijn thans sleutelwoorden om binnen de EU te komen tot een effectievere bestrijding van de werkloosheid. Het is te hopen dat daarbij de resultaten van het Nederlandse model niet over het hoofd worden gezien. Als de Europese lidstaten echter niet bereid zijn een stapje verder te gaan dan wat tot dusver is overeengekomen, dan zullen de ambities van Lissabon waarschijnlijk niet meer dan vrome wensen blijken.