Research

Articles

Nederlands verzet tegen Angelsaksische invloed kost veel banen

15 Mar 2006 - 00:00
Het wetenschappelijk bureau van de VVD, de Teldersstichting, vergelijkt in Geschrift 90: ?Groei, inkomensverdeling en economische orde?, de dynamiek van de Nederlandse economie met die van de Angelsaksische economieën: de VS en het Verenigd Koninkrijk. De Amerikaanse economie doet het veel beter als het gaat om de arbeidsparticipatie (werkgelegenheid als het percentage van de bevolking tussen 15 en 64 jaar). Uitgaande van de participatiepercentages in 1994 van 64% en 73% voor respectievelijk Nederland en de VS, wordt respectievelijk 36% en 27% van het arbeidspotentieel niet benut. In Nederland en de VS was het werkloosheidspercentage in 1994 resp. 7% en 6%. Dat betekent dat de ?vrijwillige? werkloosheid respectievelijk 29% en 21% bedroeg. De ?vrijwillige? werkloosheid in Nederland was dus bijna 8 procentpunten hoger dan in de VS. Deze bestaat bijvoorbeeld uit langere periodes van scholing, arbeidsongeschiktheid, vervroegde uittreding, het verrichten van zorgtaken in plaats van deelname aan het arbeidsproces. Ook wat de aard van de officiële werkloosheid betreft steekt Nederland ongunstig af bij de VS omdat de langdurige werkloosheid als percentage van de totale werkloosheid hier viermaal zo hoog is als in de VS (Nederland: 52%; VS: 12%).

Als de Amerikaanse economie zo veel beter is in het scheppen van banen dan de onze, waarom zouden we dan niet streven naar een verschuiving van onze economische orde in de richting van de Amerikaanse? De weerstand tegen een dergelijk verschuiving hangt samen met de inkomensverdeling die in Amerika veel ongelijker is dan bij ons. Geen ?Amerikaanse toestanden? dus.

Maar de auteurs van het Teldersrapport stellen dat er een afruil bestaat tussen de mate van inkomensgelijkheid en de graad van doelmatigheid van de sociaal-economische orde, in het bijzonder wat betreft het scheppen van banen. In een vrijere markt, zoals die in de VS, bestaan meer prikkels die de werktijd, de werkgelegenheid en de omvang van de beroepsbevolking positief beïnvloeden dan in ons poldermodel: een combinatie van overlegeconomie en verzorgingsstaat. Door de grotere inkomensverschillen, de geringere bescherming tegen inkomensderving, de grotere concurrentie op de arbeidsmarkt en de lagere belasting zal men in de VS eerder en langer willen werken en zal de arbeidsparticipatie navenant hoger zijn, in het bijzonder ten behoeve van de laaggeschoolden.

Willen de Nederlanders wel rigoreuze ingrepen in de arrangementen van de verzorgingsstaat, zelfs als deze voor een belangrijk deel verantwoordelijk zijn voor de lage arbeidsparticipatie bij ons? Zo op het eerste gezicht is dat niet het geval. De auteurs wijzen daarbij op onderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat het aantal mensen is gegroeid dat de meeste socialezekerheidsregelingen onvoldoende en de inkomensverschillen te groot vindt.

De auteurs stellen zij met een ondertoon van teleurstelling en spijt vast dat sommige vormen van afslanking weer ongedaan worden gemaakt door de particuliere sector, bijvoorbeeld door de reparatie van het zogenoemde WAO-gat: de substitutie van een collectieve verplichte verzekering door bovenwettelijke particuliere verzekering, al dan niet via (algemeen verbindend verklaarde) CAO?s. Deze praktijken versterken de opvatting van de auteurs dat de Nederlander eigenlijk geen aantasting van inkomenszekerheid wenst. Zij trekken daaruit de conclusie dat gegeven de bestaande preferenties die inherent zijn aan de Nederlandse cultuur, met zijn normen ten aanzien van stabiliteit, rust (in het bijzonder op de arbeidsmarkt) en inkomensverhoudingen, een verandering van de wetgeving die gericht is op meer concurrentie en dynamiek waarschijnlijk een reactie in de particuliere sector teweegbrengt waardoor er in feite weinig verandert.

Toch blijven de auteurs van het Teldersrapport voorstander van de voortzetting van het liberalisatiebeleid. Zij zijn van oordeel dat de regelgeving van de overheid dient te zijn gericht op de bevordering van concurrentie en economische dynamiek. Hiertoe zijn verdere wetswijzigingen noodzakelijk. Het is dan vervolgens aan de particuliere sector om zelf een afweging te maken tussen dynamiek en stabiliteit, tussen conflict en harmonie, alsmede tussen doelmatigheid en gelijkheid.