Research
Articles
Verhouding Israël en Palestina verbetert snel
Achter de schermen zijn vele informele netwerken van Israëliërs en Palestijnen actief. Zij bestaan uit academici, consultants, oud-ambtenaren en oud-militairen. Op een aantal terreinen zijn zij met creatieve voorstellen gekomen. Vaak gaat het om 'second track diplomacy', vormen van samenwerking tussen academische instellingen die door de overheden van hun landen van herkomst worden gedoogd en soms zelfs aangemoedigd, maar die geen officieel mandaat hebben of instructies krijgen. Zij handelen autonoom en houden de overheden op de hoogte van hun activiteiten. De activiteiten van deze netwerken worden vaak gedeeltelijk gefinancierd door buitenlandse donoren, waaronder Nederland, en worden inhoudelijk gesteund door buitenlandse instituten, waaronder Clingendael. In sommige gevallen worden zij ook door ambtelijke experts uit de donorlanden geholpen. In het recente verleden hebben bijvoorbeeld deskundigen van het Nederlandse ministerie van Financiën adviezen gegeven over de belastingwetgeving.
Als binnen het netwerk overeenstemming is bereikt, wordt het resultaat aan de respectievelijke overheden voorgelegd. Het denkwerk is dan gedaan en in sommige gevallen zelfs vastgelegd in ontwerpovereenkomsten, die vervolgens als basis voor officiële onderhandelingen kunnen dienen.
Langs dit spoor is het Oslo-akkoord totstandgekomen: een overeenkomst tussen de Israëlische regering en de PLO die in september 1993 te Oslo werd gesloten. Het was geen vredesakkoord maar een 'spoorboekje' voor onderhandelingen over de definitieve status van door Israël bezet gebied in een interim-periode met beperkt Palestijns zelfbestuur. Volgens 'Oslo' diende er uiterlijk op 4 mei 1999 een permanente regeling te komen tussen Israëliërs en Palestijnen. De afspraken die in Oslo werden gemaakt zijn nog niet helemaal nagekomen, maar wel is er grote vooruitgang geboekt.
De politieke rol van Europa in het Midden-Oosten is beperkt. Maar de EU is wel op andere wijze nadrukkelijk aanwezig. Met Europese steun zijn inmiddels vele projecten uitgevoerd die tot zichtbare verbetering hebben geleid. Wie het even ten zuidoosten van Jeruzalem gelegen Bethlehem van nog maar enkele jaren geleden vergelijkt met dat van nu, ziet een wereld van verschil. Belangrijker echter is dat deze activiteiten ook hebben geleid tot investeringen van het Palestijnse bedrijfsleven zélf. Hetzelfde beeld in Ramallah, waar je ook kijkt, overal wordt gebouwd.
De EU wenst echter niet alleen als hulpdonor in het Midden-Oosten aanwezig te zijn. Naast de VS wenst zij ook een politieke rol te spelen. Het is Europa echter tot op heden niet gelukt een eigen Midden-Oosten-beleid te formuleren, anders dan dat van de Amerikanen. Maar ook hier is een rol voor 'second track diplomacy' weggelegd. Deze vindt onder meer plaats in het kader van EuroMeSCo (EuroMediterranean Study Commission), met financiële steun van de Europese Commissie.
EuroMeSCo is voortgekomen uit de Barcelona-declaratie uit 1995. Hierin spraken de landen van de EU en andere landen rondom de Middellandse Zee af om te komen tot een breed partnerschap door een intensivering van de politieke dialoog, de ontwikkeling van economische en financiële samenwerking en samenwerking op cultureel en sociaal gebied. Zoals zo vaak het geval is met dit soort hooggestemde declaraties kost het moeite om daaraan inhoud te geven. Aanvankelijk zagen de Europeanen de declaratie vooral als een middel om hun zorgen over immigratie en terrorisme aan de orde te stellen, maar de Arabische landen hadden andere prioriteiten. Deze waren primair geïnteresseerd in hulp voor de opbouw van hun economieën.
Onlangs heeft een vergadering van EuroMeSCo plaatsgevonden in Ramallah op de Westoever. Hieraan namen vertegenwoordigers van vele Europese en Mediterrane landen deel, waaronder uiteraard Israël en Palestina. Syrië en Libanon schitterden echter door afwezigheid. In het kader van het Barcelona-proces is inmiddels erkend dat het Midden-Oosten-probleem een belangrijk element vormt van het geheel van de betrekkingen tussen Europa en de landen rondom de Middellandse Zee. Toch werd van Europese zijde terughoudend gereageerd op het klemmende beroep van Palestijnse kant voor een grotere Europese inbreng.
De Palestijnen zijn van oordeel dat Europa met zijn joodse exodus medeverantwoordelijk is voor de problemen in het Midden-Oosten en derhalve een morele verplichting heeft om bij te dragen aan een oplossing daarvan. Zij vinden dat de VS hun oren te veel naar de Israëliërs laten hangen. In de Wye-akkoorden zijn concrete afspraken gemaakt en tijdschema's overeengekomen voor terugtrekking van Israëlische troepen uit de bezette gebieden. Hierin blijken voortdurend vertragingen op te treden. De Amerikanen dringen er bij de Palestijnen op aan geduld te betrachten en vragen hun begrip voor de positie van de Israëlische regering tegenover de eigen publieke opinie.
Op hun beurt wijzen de Palestijnen erop dat ook zij een publieke opinie hebben. Volgens de Palestijnen ziet het Westen Arafat als iemand die slechts goed is om verdragen te ondertekenen. Aan het feit dat Arafat ook met de wensen van zijn bevolking rekening heeft te houden, wordt geen aandacht geschonken.
De Palestijns leiders zijn van oordeel dat een overeenkomst slechts duurzaam kan zijn als deze ook breed wordt gesteund door de Palestijnse bevolking.Als het de huidige Palestijnse regering niet lukt om een bevredigende regeling te bereiken, kan dit haar einde betekenen. In een dergelijke situatie bestaat het gevaar dat de moslimfundamentalisten in Palestina de overhand krijgen, wat een domino-effect in de gehele Arabische wereld kan sorteren.
De Palestijnen dringen aan op een regeling van de kwestie-Jeruzalem en hebben voorstellen geformuleerd voor een gezamenlijk bestuur van de stad, met waarborgen voor de vrije toegang tot de stad voor zowel Israëliërs als Palestijnen alsmede voor alle gelovigen van religies voor welke Jeruzalem een bijzondere betekenis heeft. De Israëliërs tonen vooralsnog grote aarzelingen om deze kwestie op korte termijn tot een oplossing te brengen. Een nog heter hangijzer vormt de terugkeer van Palestijnse vluchtelingen.
In dit soort vergaderingen plegen de Israëlische vertegenwoordigers een dominante rol te spelen. Opvallend was dat dat in deze vergadering niet het geval was. In verschillende opzichten stalen de Palestijnen de show, met kopstukken als Faisal Husseini, de vertegenwoordiger van de Palestijnse Autoriteit in Jeruzalem, en Hannah Ashrawi, voorheen woordvoerster van de PLO en lieveling van vooral de Amerikaanse media. In hun uiterlijk en optreden hadden de aanwezige Palestijnen meer weg van 'business executives' dan van de militair uitgedoste veteranen van de revolutie die de stereotype tv-beelden tonen. Hun argumentatie was zakelijk en gematigd van toonzetting.
In westerse fora is het gebruikelijk dat Europeanen openlijk voor hun onderlinge meningsverschillen uitkomen; soms zelfs tussen vertegenwoordigers van één en dezelfde nationale delegatie. Dat geldt ook voor Israëliërs. Dit soort pluralisme wordt gewoonlijk eerder als kracht dan als zwakte aangemerkt. Tot verbazing van de Europeanen bleek in Ramallah dat de Palestijnen hierop geen uitzondering vormden. Zij kraakten kritische noten over de eigen bestuurlijke tekortkomingen (het gebrek aan 'good governance'), in het bijzonder het gebrek aan doorzichtigheid van de overheidsfinanciën, de traagheid van de uitbreiding van de democratie en het proces van politieke partijvorming.
Palestina is hard op weg een normale staat te worden. Ondanks gehakketak op politiek niveau vindt een gestage normalisering van de Israëlisch-Palestijnse verhoudingen plaats.