Het streven naar een soeverein Nederland is eigenlijk een streven naar een illusoire soevereiniteit, beargumenteert Jan Rood van Instituut Clingendael. Want Nederland kan helemaal niet meer op eigen houtje handelen. Om te overleven hebben we internationale en Europese afspraken nodig.
Over de Nederlandse soevereiniteit is de laatste tijd veel te doen. Op verzoek van het kabinet publiceerde de AIV recentelijk een advies waarbij de vraag stond in hoeverre Europese defensiesamenwerking een bedreiging vormt voor de nationale soevereiniteit. Eerder nam de Tweede Kamer een motie-Slob aan waarin werd opgeroepen ‘geen beweging naar een Europese politieke unie' te maken. In dezelfde motie wordt de regering verzocht ‘niet in te stemmen met aanvullende Europese afdwingbare afspraken' inzake begrotingsdiscipline. Op de website van de ChristenUnie wordt Slob geciteerd, zeggende: ‘Hiermee gaan we het overdragen van soevereiniteit aan Europa tegen'. Dat was in maart 2011. Nu, in juni 2012, ligt een nieuw Europees verdragvoor ter ratificatie dat er juist op is gericht om de bestaande afspraken inzake begrotingsdiscipline binnen de lidstaten sterker te verankeren. Men kan twisten over de vraag of hiermee ‘soevereiniteit' wordt overgedragen, maar van ‘aanvullende Europees afdwingbare afspraken' lijkt ontegenzeggelijk sprake te zijn. Afspraken die in geval van blijvende schending van de begrotingsregels tot ‘semi-automatische' boetes kunnen leiden en die bovendien de Europese Commissie de bevoegdheid geven zich diepgaand te bemoeien met de structureel-economische ontwikkelingen binnen een lidstaat. In het licht van de motie-Slob is hierbij saillant dat bij uitstek Nederland voorop liep in het bepleiten van een zwaardere rol van Eurocommissaris Rehn bij het handhaven van de afspraken.
Deze korte geschiedenis illustreert de gevoeligheid van het soevereiniteitsvraagstuk in de binnenlandse politiek. De angst soevereiniteit te verliezen, in het bijzonder aan ‘Brussel’, zit al enige tijd diep in het ‘Haagse’. Zie in deze ook de verkiezingsinzet van de PVV, die kort kan worden samengevat als een poging om door terugtrekking uit de EU de Nederlandse soevereiniteit te herstellen. Maar tegelijkertijd blijkt uit het voorgaande ook hoezeer deze discussie door verwarring en illusies wordt beheerst, in het bijzonder als het om de positie van Nederland gaat.
Die verwarring betreft allereerst het begrip soevereiniteit zelf. In zijn juridische betekenis houdt het in dat een staat het exclusief gezag over het eigen grondgebied uitoefent en als zodanig ook internationaal wordt erkend. Formeel staat er geen hogere macht boven de nationale staat, hetgeen de connotatie van ‘zeggenschap over het eigen lot’ in zich draagt. Maar dat dit laatste direct ook problematisch is, blijkt als men de vraag stelt ‘soevereiniteit omwille van wat: omwille van veiligheid, welvaart, duurzaamheid, etc.?’. Dan blijkt het welbeschouwd te gaan om de mate waarin een land vrij is in zijn handelen bij het behartigen van dergelijke belangen. Dan blijkt dat voor (post-)moderne samenlevingen het begrip soevereiniteit een lege huls is, waar in de werkelijkheid deze landen voor het behartigen van hun veiligheid, welvaart, duurzaamheid en wat al niet meer, afhankelijk zijn van samenwerking met anderen en van internationale afspraken; en dit om de simpele reden dat zij niet of niet langer in staat zijn om op eigen kracht in deze belangen te voorzien. De handelingsvrijheid is derhalve beperkt en alleen door samen te werken is men op vele terreinen tot optreden in staat.
Nederland zelf is hiervan een voorbeeld bij uitstek. Voor zijn welvaart is het afhankelijk van internationaal en Europees afdwingbare afspraken over handel en bescherming van investeringen. Voor zijn veiligheid vertrouwt het op het Atlantisch bondgenootschap. En duurzaamheid is een vraagstuk dat alleen op mondiaal niveau kan worden gegarandeerd. In wel meest extreme zin blijkt de relativiteit van de soevereiniteit in de huidige Eurocrisis, waar Neerlands welvaren onverbrekelijk verbonden is met de uitslag van de verkiezingen in Griekenland en wij geen andere keuze hebben dan in te stemmen met ‘Europees afdwingbare afspraken’ om onze belangen beter te kunnen beschermen. Een gegeven dat tevens illustreert dat alle grote woorden over soevereiniteit ten spijt, het nationale discours hopeloos achterloopt bij de dynamiek van de Europese ontwikkelingen.
Natuurlijk, Nederland is ‘soeverein’ in de beslissing om samen te werken en dwingende internationale afspraken te maken. Maar dan blijkt pas echt hoe illusoir die ‘soevereiniteit’ is. De prijs van daaraan vasthouden is immers dat men uiteindelijk slechter af is. Door niet samen te werken verliest men aan zeggenschap en is men minder in staat de eigen belangen te behartigen. Hoe hoog de prijs van zo’n beleid kan zijn, laat een land als Noord-Korea zien, dat door vast te houden aan absolute soevereiniteit tot internationale paria is verworden en de prijs van totale verarming betaalt. Maar ook zonder dit extreme voorbeeld moet duidelijk zijn dat het soevereiniteitsstreven voor ontwikkelde samenlevingen een vorm van illusiepolitiek is, die nationale politici weliswaar het aura verschaft ‘baas in eigen huis’ te zijn, maar die feitelijk betekent dat zij zichzelf buiten spel zetten. Een overweging die op voorhand geldt voor een land als Nederland: klein of middelgroot, maar hoe dan ook onlosmakelijk verbonden met het internationale en Europese bestel en daarmee afhankelijk van anderen.
Anders gezegd, waar het tamboereren op nationale soevereiniteit de suggestie in zich bergt dat Nederland nog zijn mannetje staat in de internationale politiek en krachtig voor de eigen belangen opkomt, is het feitelijk niet meer dan retoriek bedoeld voor binnenlandse consumptie en schadelijk voor die belangen. Het is op de keper beschouwd een vorm van neutraliteitspolitiek, waarbij Nederland in de illusie indruk te maken op de buitenwereld, zich feitelijk terugtrekt van het mondiale en Europese toneel. Het is bovenal een achterhoedegevecht.