De verkiezingsdiscussies over 'Europa' vallen mee omdat het geen voor/tegen-gevechten zijn geworden. Behalve de PVV verdedigen de partijen de onvermijdelijkheid van Europese integratie en de euro. Hiermee verschaffen deze verkiezingen duidelijkheid aan de kiezers over waar hun vertegenwoordigers werkelijk staan. Toch worden veel Europese onderwerpen onvoldoende uitgediept en blijft het politieke Europadebat hangen tussen Europese getuigenissen en vaagheden. De kiezer zal de EU waarschijnlijk ondoorgrondelijk blijven vinden. Dit bleek bijvoorbeeld in de confrontatie tussen Pechtold en de PVV-aanhang in Nieuwsuur.
Het gevaar bestaat dat politici sommige van de door hen verdedigde onderwerpen niet geheel overzien. Daarmee zijn we terug bij 2005 toen kiezers de halfbakken Europese grondwet afschoten. Er bestaat bijvoorbeeld twijfel over een van de centrale EU-onderwerpen in deze verkiezingen: de noodzaak tot verdiepte integratie. Op de PVV na benadrukken de grotere partijen dat Europa verder moet gaan.
De gangbare partijen pleiten voor meer of betere regels om nationale overheden te kunnen controleren. Als de regels afdoende zijn, zijn vervolgstappen mogelijk in de vorm van uitbreiding van bevoegdheden van het ESM of zelfs euro-obligaties (D66), uitbreiding van de bevoegdheden en democratische controle van de ECB (GroenLinks), of zelfs geld scheppen (SP). Ook hoort bij deze verdiepte integratie het vooruitzicht op een soort Europees ministerie van financiën waar lidstaten hun schulden moeten aanvragen, die nationale budgetten moet goedkeuren, en die de markt op gaat om het geld voor de lidstaten te lenen.
GroenLinks, SP, PvdA, CDA, VVD en D66 stellen vervolgens expliciet dat deze verdere integratie een tekort aan democratische controle oplevert. GroenLinks, PvdA, CDA en D66 benadrukken de noodzaak om het Europees Parlement meer macht te geven. Volgens deze partijen moet er meer Europese democratie komen als er een Europese minister van financiën wordt aangesteld die begrotingen goed- of afkeurt of als de ECB meer taken krijgt.
Hiermee sluiten de partijen aan bij de discussies over verdiepte integratie die de regeringsleiders voeren onder leiding van Herman Van Rompuy in de Europese Raad. Draghi van de ECB, Barroso van de Europese Commissie, Van Rompuy van de Europese Raad, en Juncker van de eurogroep (de groep van 'de vier Presidenten') werken nu aan de bouwstenen hiervoor.
De politieke partijen bieden echter weinig duidelijkheid over wat verdiepte integratie betekent. Zij zetten hiermee de deur open naar perverse integratie. In de eerste plaats wil de bevolking niet meer macht afstaan aan het verafstaande Europees Parlement of de Commissie. Ten tweede leidt verdiepte integratie waarschijnlijk tot de verkeerde maatregelen omdat onvoldoende duidelijk is waar de problemen liggen. Daarmee is, ten derde, de kans groot dat oppervlakkig gehamer op meer integratie in de debatten eerder leidt tot meer problemen.
'Verdiepte integratie' gaat voorbij aan het feit de euro-problemen grotendeels zijn ontstaan door zwakke nationale overheden. Er moet dus eerst gekeken worden naar betere lidstaten in plaats van diepere integratie. De euro kan alleen bestaan als landen voldoende bestuurscapaciteiten hebben. Lidstaten hebben zich echter nooit met elkaars openbaar bestuur willen bemoeien. Geen land wil van Brussel of andere lidstaten horen hoe het zijn bestuur moet inrichten. Toch hebben lidstaten onafhankelijke en betrouwbare statistische bureaus en CPB-achtige instellingen nodig, moet belastinginning functioneren, zijn dereguleringsbureaus en toezicht op administratieve lasten vereist, moet sociaal overleg functioneren, moet rechtsstatelijkheid gegarandeerd zijn, etc. Er zijn zo heel wat sociaal-economische instellingen en onafhankelijke toezichthouders nodig wil een land functioneren, inclusief transparante lagere overheden en transparante politieke partijen. Italië, Spanje en Ierland blonken bijvoorbeeld uit in ontoelaatbare verwevenheden.
Goed nationaal bestuur is dus het eerste dat moet worden opgepakt. Meer bevoegdheden voor de ECB pakken de bodemloze putten niet aan. Een Europese minister maakt Brussel nog meer gehaat omdat deze steeds lidstaten terecht zal moeten wijzen als ze zelf niet volwassen genoeg zijn om hun economieën te hervormen en hun begrotingen op orde te krijgen.
Als lidstaten hun bestuur en instituties niet op orde krijgen, is diepere integratie onmogelijk en blijft de euro in gevaar. Oplossingen liggen daarmee primair op nationaal niveau. Ook het Nederlandse aandringen op meer Europese regels heeft dus waarschijnlijk slechts beperkt zin. Zonder goed nationaal bestuur missen Europese regels de benodigde basis.
Hieruit volgt een Europese agenda die wèl nodig is. De EU kan helpen lidstaten - vooral de eurolanden - te dwingen om politiek en bestuurlijk volwassen worden. Graag horen we in deze verkiezingsdebatten nog van de politici of ze er zeker van zijn dat de onafhankelijkheid van het Franse centrale planbureau gegarandeerd is, dat de Belgische pensioensystemen kloppen, dat de Italiaanse belastinghervormingen realistisch zijn, en dat andere lidstaten ook uitspraken mogen doen over bijvoorbeeld bankentoezicht in Nederland en de gevaren van de erosie van onze Sociaal-Economische Raad. Verdiepte integratie vereist allereerst volwassen lidstaten. Kiezers willen waarschijnlijk niet horen dat integratie leidt tot 'meer Brussel' maar of er nog hoop op de aanpassingen in de lidstaten en hoe dat nu gaat worden afgedwongen.