Europese samenwerking is een noodzakelijk illusie
Flora Lewis, schrijfster van ‘Europe’ uit 1987, begreep als een van de besten wat Europa deed samenwerken, veel beter in elk geval dan de Europa-bashers van 2016.
Van de brandstapel gered uit de bibliothecaire nalatenschap van Ernst van den Beugel: een exemplaar van Europe, een van de bekendste boeken van en gesigneerd (‘with many thanks and love’) door Flora Lewis. Ernst van den Beugel was tijdens de oprichting van de EEG eind jaren vijftig onze staatssecretaris van Europese Zaken en hielp het Verdrag van Rome in de steigers zetten. Flora Lewis was gelouterd journaliste van The New York Times, lange tijd in standplaats Parijs, overleden in 2002. Europe heeft op de rug gezien geen ondertitel; op het binnenblad staat in kleine letters de toevoeging A Tapestry of Nations, het inleidende hoofdstuk heet ‘Europe – a Civilization’.
Die culminatie geeft ook, bedoeld of niet, precies de opbouw van haar betoog weer. Van een iets te krap continentje waar een iets te groot aantal natiestaten elkaar voortdurend op de huid zat, naar een politiek weefsel van gedeelde waarden, geschiedenis en conflicten dat je gerust een ruimte met gemeenschappelijke beschaving mag noemen. Lewis’ boek is uiteraard niet in twee zinnen samen te vatten, maar geschreven vanuit dertig jaar naoorlogse expertise – en onwetend van de val van de Muur en haar gevolgen – is het fair om te zeggen dat Lewis in elk geval als een van de besten begreep wat Europa deed samenwerken, veel beter in elk geval dan de Europa-bashers van 2016 beweren over de noodzaak van haar uiteenvallen.
Wat zijn die samenwerkingskrachten? Europa is geboren uit afkeer van het verleden, dus de Tweede Wereldoorlog en het nazisme. Het gedijde naast het alternatief van het communisme, dat weliswaar ook een vorm van bovennationale eenwording beloofde maar in werkelijkheid slechts totalitaire onderdrukking, armoe en dreiging had te bieden. Het gaf een integratieperspectief aan honderden miljoenen mensen die géén United States of Europe wilden omdat ze het Amerikaanse model te eenzijdig gebaseerd vonden op competitie en materieel succes. Door dictaturen als Griekenland, Spanje en Portugal (en laten we de Bondsrepubliek zelf niet vergeten) de parlementaire vlucht naar voren aan te bieden, toonde Europa aan dat de beweringen dat alleen kleinschaligheid en democratie bij elkaar kunnen horen en dat grootschaligheid vloekt met democratie, onzin zijn. Dat zou in de jaren negentig met de bijna vlekkeloze integratie van Midden- en Oost-Europese staten – een historisch ongekende prestatie – nog eens worden bevestigd.
Maar Lewis wijst ten slotte, na een reis langs de diversiteit van het Europese tapestry, op het ferment dat negatieve bindmiddelen als afkeer van, alternatief voor, niet zo eenzijdig als en vlucht-voorwaarts-argumentatie overstijgt: onze gemeenschappelijke beschaving, de Europese spiritualiteit. Europa is de ‘inspiring illusion’ die de incompleetheid van materialisme en nucleaire macht moet aanvullen.
Ze haalt met instemming de Franse schrijver-staatsman André Malraux aan, die voorspelde: ‘de 21ste eeuw zal spiritueel zijn of we maken haar niet mee’, en waarschuwt voor de fundamentalisten die ons juist de terugkeer naar het gemythologiseerde verleden willen voorhouden als inspiring illusion. Lewis kon in 1987 niet vermoeden dat het beperkte integratie-experiment van een dozijn West-Europese staten tot een avontuur van nu 28 landen zou leiden. Haar noemer van de Europese beschaving was echter toekomstbestendig en bestond uit ‘the arts and sciences, the rule of law, political freedom, and the rights of the individual, the notion of humanism’. De Europese beschaving is ‘gekerfd door de vreselijke wonden van de pogingen om haar te tarten’, een ontzaglijke prijs voor uitbarstingen van intolerantie én het opbouwen van een rechtstraditie, maar juist daarom mag Europa niet opgeven die gemeenschappelijke illusie in de 21ste eeuw te blijven bieden.
Dat is de beschaving die de nationaal-conservatieven en populisten nu uit het wandkleed willen trekken.