Research

Europe and the EU

Op-ed

Churchill als 'Vader van Europa', dat gaat te ver

06 Jul 2016 - 10:13
Source: Bas van der Schot / Vrij Nederland

Zowel de pro- als de anti-Brexiteers spannen Winston Churchill voor hun karretje. Beiden hebben ongelijk.

Het opeisen van Churchill door de pro- en anti-Brexiteers is een genoeglijk maar nogal ontluisterend spel geworden in de discussie over het referendum. Nu is what if natuurlijk nooit te winnen, dat is het lastige met geschiedenis, want die speelt zich maar één keer af en het is dubbel onrechtvaardig om in 1965 gestorven mensen woorden in de mond te leggen om je gelijk in 2016 te halen. Dat een charlatan als Boris Johnson ‘Britse held aller tijden’ Churchill als post-mortem pleitbezorger van de Brexit erbij sleepte, is niet zo verbazend, dat figuren als Wilders zich naast zijn portret willen laten fotograferen past ook in dat perfide rijtje, maar om nu weer te zeggen dat hij de ‘Vader van Europa’ is, gaat me ook wel wat ver.

Dat las ik vorige week in het interview met Felix Klos, met wie ik het verder roerend eens ben, alleen niet met zijn verbazing over de idealen en vooruitzichten die Churchill al voor de oorlog over de transformatie van natiestaten in grotere organische gemeenschappen etaleerde. Lees daarover bijvoorbeeld, in vaak gelijkaardige termen, de jaren oude stukken van de Britse journalist Jon Danzig. Danzig ontmaskerde vorig jaar bijvoorbeeld nog UKIP-leider Nigel Farage, die Churchill het citaat ‘If Britain must choose between Europe and the open sea, she must always choose the open sea’ in de mond legde, maar zich schromelijk ‘vergiste’ (de Franse president Charles de Gaulle zei: ‘Between Europe and the open sea, England will always choose the open sea’ in de jaren zestig, toen hij het Britse verzoek om toetreding tot de EEG weigerde). Vlak voor de geallieerde invasie in Normandië had Churchill zijn twijfels over het succes van de landing bij (toen nog generaal) De Gaulle verwoord met de uitspraak ‘Every time I have to decide between you and Roosevelt, I will always choose Roosevelt.’

Het punt is dat Churchill zijn voorspellingen en fantasieën nooit zonder voeling met de actuele context uitsprak, en zodra die veranderde, wijzigden de uitspraken soepel mee. Op 16 juni 1940 was de opmars van Hitler in West-Europa zo nijpend dat hij zelfs pleitte voor een Frans-Britse Unie: ‘France and Great Britain shall no longer be two nations’. Dat deed hij tien jaar later natuurlijk niet meer. Wél een constante gedachte van Churchill was dat nationale soevereiniteit geen eeuwig fenomeen is en dat we ons moesten voorbereiden op de dag dat ‘there will be an effective world government resting on the main groupings of mankind.’

De mensheid, dus hoewel Europa met ‘een soort Verenigde Staten van Europa’ zeker in dat schema paste, ontsteeg Churchills geloof in de reductie van natiestaten en de ontwikkeling naar hogere vormen van integratie de kleine Gemeenschap van Kolen en Staal op het Europese vasteland. Te benauwd, daar wilde hij voorlopig weer geen deel van zijn. Zoals Lord Peter Carrington in zijn memoires (1988) schreef: ‘we were different… we wished the club well but it wasn’t for us’, zo dacht Churchill er in die jaren over.

Maar wat Carrington ook fijntjes schrijft over de visie van Churchill (en Clement Attlee en Anthony Eden): it was also wrong. De eerste Britse politicus die de Britse realiteit zag en begreep dat de toekomst van het land in de Europese Gemeenschap lag, was premier Harold Macmillan. Die begreep dat de theorie van Churchill, dat Londen het natuurlijke middelpunt van drie cirkels was (de Atlantische wereld, het Gemenebest en Europa), niet langer opging, maar haar hoogstens nog een hoofdrol in de Europese Gemeenschap kon opleveren. Toen zei De Gaulle ‘non’, en nu schieten de Britten zichzelf in eigen voet.