Research

Europe and the EU

Books and articles

De discussie over een sociale economische en monetaire unie

22 Jul 2016 - 11:13
Source: © EurocrisisExplained.co.uk Flickr
Hoe verhoudt Nederland zich tot de verschillende visies binnen de EU op een socialere EMU?
 
Bekijk de verschillende posities door in de mattermap in- en uit te zoomen of de map te vergroten door in de rechterbovenhoek te klikken. Klik op de +'getal' ballonnen om meer posities weer te geven. Lees een analyse onder de mattermap.
 



Juncker’s belofte van een social triple A voor de EU is vastgelegd in het Vijf Presidenten Rapport van de EU (juni 2015) waar grote ambities in worden uitgesproken. Zo wordt een volledige Europese bankenunie met een Europees depositiegarantiesysteem genoemd, een fiscale stabilisatiefaciliteit binnen de Euro en wordt meer aandacht voor werkgelegenheid en sociale doelstellingen binnen de EMU bepleit. Met betrekking tot het laatste zijn vanaf maart tot in juli verscheidene consultaties over een Europese Pijler van Sociale Rechten gehouden door Eurocommissaris voor Werkgelegenheid, Sociale Zaken, Vaardigheden en Arbeidsmobiliteit Marianne Thyssen. Op basis van de diverse bijdragen op deze site blijkt echter dat er groot verschil van mening bestaat tussen de lidstaten en politieke actoren over wat als sociaal én politiek wenselijk wordt gezien binnen de EU. Die verschillen spitsen zich grosso modo toe op drie dimensies.

1. De huidige Europese begrotingsnormen en het economisch bestuur handhaven of loslaten
Met het oog op een socialer Europa wenst Griekenland bijvoorbeeld afschaffing van het Fiscal Compact (de overeenkomst over scherpere begrotingscriteria vastgelegd in nationale wetgeving). Met onder andere Italië en Frankrijk wenst het ook meer flexibiliteit bij het Stabiliteit en Groei Pact (SGP) (dat de basis vormt van begrotingsafspraken binnen de EU) en meer investeringsruimte. De Europese vakbonden sluiten zich hier bij aan. Spanje daarentegen lijkt politiek verdeeld over deze kwestie.

Aan de andere kant zijn Nederland en Duitsland  -ondanks politieke verschillen tussen links en rechts-  over het algemeen, samen met het Europees bedrijfsleven, voor (strikte) handhaving van de begrotingsnormen en daarbinnen meer nationale hervormingen in de EMU. Duitsland beschouwt zich zelf als een rolmodelDe Nederlandse regering wil voorkomen dat de EMU een overdrachtsunie wordt. VVD Europarlementariër Cora van Nieuwenhuizen ziet flexibiliteit bij het SGP niet als oplossing om sociale achteruitgang in de EU tegen te gaan. Met het argument dat de gewenste nationale sociale basis alleen kan voortkomen uit een sterke economische basis, wenst de VVD juist automatische sancties binnen het Europees Semester, zodat economische hervormingen binnen de Eurolanden daadwerkelijk plaatsvinden. Ook D66 Tweede Kamerlid Wouter Koolmees ziet als fervent voorstander van het Six Pact bijvoorbeeld financiële noodsteun alleen mogelijk indien deze steun gepaard gaat met het strikt nakomen van de huidige begrotingsregels en de bijbehorende noodzakelijke hervormingen.  Wel wijst de PvdA in het Europees Parlement er op dat de EU meer moet kijken naar investeringen. Jeroen Lenaers (CDA) benadrukt in zijn bijdrage het belang van eerlijke en consistente handhaving van regels bij alle onevenwichtigheden; dus ook van surplus landen zoals Duitsland en Nederland. Dennis de Jong (SP) is echter tegen het SGP en ziet liever het huidig economisch bestuur binnen de EU op de schop gaan. Hij wenst dat landen (onderling) zelf beslissen zonder bemoeienis van de Europese Commissie.


2. Zoeken naar een fiscale stabilisatiefaciliteit binnen de euro of andere oplossingen                
Verschillende economen en voormalig Eurocommissaris voor Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie László Andor beweren dat consensus op een fiscale faciliteit binnen de Eurozone een sociaaleconomische noodzakelijkheid is om de periode van hervormingen bij crisis of asymmetrische schokken te overbruggen. Lidstaten kunnen namelijk binnen een muntunie geen monetaire instrumenten zoals devaluatie meer gebruiken om zichzelf lucht te verschaffen.

De ideeën van Eurocommissaris voor Economische en Financiële Zaken Moscovici over een fiscale capaciteit voor de EMU in de vorm van een Europees werkeloosheidsuitkeringsschema zoals geïnitieerd door het Slowaaks EU voorzitterschap wordt gesteund door Portugal en Italië. Ook Frankrijk verwelkomt een fiscale capaciteit maar in welke vorm is onduidelijk. Griekenland is (op de lange termijn) voorstander van een fiscale unie maar de huidige regering is op het moment wantrouwend tegenover de EU. Duitsland dat zich als rolmodel ziet is samen met Nederland echter vooral tegen, en is eerder voor oplossingen als grotere arbeidsmobiliteit en interne hervormingen in het geval van economische onevenwichtigheden.

Waar het Nederland betreft, stelt Van Nieuwenhuizen (VVD) dat financiële stabilisatiemechanismen niet aan de orde zijn zolang je er niet op kan vertrouwen dat landen alles in het werk zullen stellen op het vlak van economisch hervormingsbeleid. Koolmees (D66) wijst vooral op het belang van een bankunie als onderdeel van het oplossen van de ontstane onevenwichtigheden, zoals die zijn blootgelegd in de crisis. Daarnaast ziet hij in plaats van de voorgestelde fiscale potjes of schema’s tussen de lidstaten graag een discussie over Europese budgetten met Europese democratische legitimering. Lenaers (CDA) stelt dat arbeidsmobiliteit niet een volledige oplossing kan bieden en dat discussie over een fiscale stabilisator wel gevoerd moeten blijven worden zolang het niet tot permanente financiële transfers leidt van de ene lidstaat naar de andere. Hij wijst samen met De Jong (SP) daarnaast vooral op het belang van de bestaande structuur- en cohesiefondsen. Van Nieuwenhuizen (VVD) ziet die fondsen echter eerder als een subsidie die een niet concurrerende economie onnodig in stand houdt.


3. Zoeken naar een sociale dimensie bij de EMU of het aan de lidstaten overlaten
De vorige Europese Commissie onder Barroso had al het initiatief genomen de EMU ‘socialer’ te maken door binnen het Europees Semester naast macro-economische doelstellingen sociale indicatoren als jeugdwerkeloosheid, lange termijn werkeloosheid en cijfers inzake de verandering van arbeidsactiviteit van de beroepsbevolking op te nemen. Maar over de vraag of er daadwerkelijk in navolging hiervan op sociaal vlak meer (bindende) regels en verdere EU aanbevelingen gewenst zijn verschillen de meningen binnen de EU.       

Portugal is voor bindende arbeids- en sociale beschermingstandaarden op EU niveau. De Europese vakbonden stellen dat het huidig economisch bestuur sociale rechten schendt en pleiten voor sociale en milieu indicatoren die een integraal onderdeel van het bestuur van de EMU zouden moeten vormen. Italië lijkt geen nieuwe balans tussen macro-economische en sociale doelstellingen in het Europees Semester nodig te vinden en ziet verdere politieke integratie als oplossing om sociale onevenwichtigheden te voorkomen. Spanje is verdeeld. Duitsland is echter tegen meer EU bemoeienis zoals bindende sociale indicatoren.

Het Europees bedrijfsleven wenst dat de voorgestelde Pijler van Sociale Rechten geen gaten in de EU sociale wetgeving adresseert, en wil voorkomen dat het leidt tot gemeenschappelijke hoge EU standaarden. Daarbij willen niet-euro landen zoals Zweden dat sociale zaken in een EU breed formaat worden behandeld, en niet in het beperkte kader van de eurozone. Izabela Styczynska schrijft dat men in Polen zelfs vindt dat de EU zich beter niet met sociale initiatieven bezig moet houden, maar zich primair moet richten op bevordering van economische groei binnen de gehele EU.

In Nederland lijkt men ook terughoudend als het gaat om meer Europese bemoeienis in de vorm van (bindende) sociale indicatoren en aanbevelingen. Zo vindt Anoushka Schut-Welkzijn (VVD) dat lidstaten onderling van elkaar kunnen leren hoe je met hervormingsweerzin omgaat en hoe je sociale zaken nationaal beter kan organiseren. Het is niet aan de EU om dit te dicteren. Koolmees (D66) ziet ook allereerst het belang van het uitwisselen van best practices. De Jong (SP) wenst wel dat Europees economisch beleid getoetst wordt aan sociale gevolgen, het liefst via het EVRM en het Sociaal Handvest van de Raad van Europa, maar ziet liever het totale Europees Semester verdwijnen. Lenaers (CDA) wijst vooral op het belang van een sociale markteconomie waarbinnen de mobiliteit kan worden verbeterd.

Agnes Jongerius (PvdA) stelt dat bevordering van economische groei niet voldoende is en de PvdA wil daarom wel het mandaat van de Europese Centrale Bank uitbreiden met een werkgelegenheidsdoelstelling. Catelene Passchier van de FNV staat sympathiek tegenover een stevige sociale dimensie en voor het verankeren van een aantal minimumnormen of basisregels op Europees niveau zonder dat dit betekent dat alles op Europees niveau tot in detail moet worden georganiseerd.

Conclusie
Als we de discussie over de sociale dimensie van de EMU in ogenschouw nemen, wordt aan de hand van de aangehaalde voorbeelden duidelijk dat de  visies van lidstaten en politieke actoren en die van de Europese Commissie op minimaal drie dimensies sterk van elkaar verschillen. Uit deze steekproef blijkt tevens dat die verschillen niet op voorhand tot de klassieke Noord-Zuid tegenstelling binnen de EU te herleiden zijn. Het palet aan opvattingen is diverser en daarmee complexer. Daarbij gaat het er niet om of men voor of tegen bepaald EU beleid is, maar vooral om de keuze voor een ander beleid, en de vraag welke instrumenten en kaders daarbij passen. Gezien de complexiteit van dit speelveld, zal het voor de Europese Commissie zeer lastig worden om de belofte van Juncker’s 'social triple A EU' middels concrete voorstellen inhoud te geven. Ondanks dat er ook tussen de Nederlandse politieke actoren verschillen bestaan over de noodzaak van sociaal beleid op EU-niveau, lijkt er in grote lijnen bij hen (vooralsnog) geen al te groot enthousiasme te bestaan voor een grotere rol en meer ambitie van de EU op sociaal terrein.