Hoe gaan we weerbaarheid in en met heel Nederland organiseren?
Met de toenemende onrust in de wereld groeit de roep om voorbereid te zijn op crisisscenario’s – binnen overheden, bedrijven, civiele diensten en in de samenleving. De weerbaarheid van Nederland is daarmee een gezamenlijke opgave. De bereidheid tot samenwerking is groot, maar de centrale vraag blijft niet of we dit willen, maar hoe we dit gaan organiseren.
Ook voor kennisinstituten ligt hier een duidelijke taak. Clingendael draagt bij door partijen bijeen te brengen, geopolitieke ontwikkelingen en de gevolgen te duiden, vraagstukken te analyseren en – vooral – door met elkaar in praktijk te oefenen. Onder andere via policy games en scenario-oefeningen maakt Clingendael voor deelnemers zichtbaar waar de samenwerking stagneert, waar verantwoordelijkheden onduidelijk zijn en welke keuzes nu al nodig zijn.
Clingendael heeft de afgelopen maanden onder meer samengewerkt met de Rabobank, de Nationale Politie, het ministerie van BZK en de VNG om dit handelingsperspectief verder te versterken en fungeert daarbij als verbindende schakel tussen de betrokken partijen.
Een voorbeeld hiervan is het Rijksherenoverleg in maart 2026, waar vertegenwoordigers uit vitale sectoren, dijkgraven, burgemeesters, brancheorganisaties, veiligheidsregio’s, defensie en politie samenkwamen. Het overleg vormde de aftrap van diverse vraagstukken: hoe maken we onze samenleving en economie weerbaarder? Wat is daarvoor nodig? Hoe komen we in beweging richting een whole-of-society-aanpak waarin alle partijen samenwerken en ieder zijn rol en verantwoordelijkheid pakt?
Uit die samenwerking kwamen al een aantal belangrijke observaties naar voren.
1. Weerbaarheid vraagt om fundamentele keuzes
Het begint met een andere blik op onze economie en de organisatie van de samenleving. Jarenlang waren efficiëntie en just-in-time-logistiek (zo min mogelijk voorraden en opslag hebben) leidend. Maar een weerbare samenleving vraagt soms om buffers, overschot en samenwerking die verder gaat dan economische optimalisatie of groei. Dat vergt een andere mindset en bewustzijn. We moeten breder denken dan het klassieke risicomanagement of de bedrijfscontinuïteitsplannen. Want als weerbaarheid faalt, raakt het iedereen: thuis, op het werk, op school en in de buurt.
2. Weerbaarheid is per definitie inclusief
Voedselzekerheid, energievoorziening, logistiek, havens, landbouw, defensie, overheid en bedrijfsleven: geen enkele sector kan dit alleen. Weerbaarheid moet verankerd zijn in governance en in crisisstructuren. Ons bestuurlijk systeem – het huis van Thorbecke – is ontworpen voor democratische besluitvorming, niet voor acute crisisrespons. De uitdaging is niet om dat systeem te veranderen, maar om te zorgen dat het systeem onder druk overeind blijft.
Het Finse model laat zien dat overheid, bedrijfsleven, NGO’s, onderwijs, veiligheidsorganisaties, vitale sectoren en kennisinstituten op meerdere lagen samenwerken, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid, maar altijd gericht op samenhang en gezamenlijke actie. Daarvoor zijn geen nieuwe structuren met aparte budgetten nodig, maar wel het benutten van de energie en urgentie die nu bij alle partijen aanwezig is.
3. Weerbaarheid betekent werken aan een permanent adaptieve samenleving
Het gaat niet om incidenteel reageren op crises, maar om continu te anticiperen en te verbeteren. Dat vraagt om een balans tussen security (structuren, regels, coördinatie) en safety (de veerkracht en het handelingsvermogen van de samenleving zelf). Er gebeurt al veel in Nederland. De belangrijkste vraag is misschien wel: hoe brengen we alle bestaande initiatieven samen tot één overzicht dat we kunnen omzetten in concrete verantwoordelijkheden en handelingsperspectieven?
Bedrijven en overheden kunnen contact opnemen met IJle Stelstra om het gesprek over weerbaarheid verder te brengen en om samen concrete stappen te zetten.