Het is niet zo moeilijk, zoals menigeen al gedaan heeft, de grote paradox van de democratie in de hui¬dige tijd te herkennen. Enerzijds zijn we de afgelopen decennia getuige geweest van het feit dat overal ter wereld de democratie als politiek stelsel steeds meer legitimiteit en prestige is gaan genieten. Anderzijds kampen de gevestigde (en nieuwe) democratieën met een groeiende politieke malaise. De verschijnse¬len hiervan zijn grote politieke ontevredenheid; een groeiend aantal burgers dat gedesillusioneerd of zelfs cynisch het politieke systeem de rug toekeert; een dramatisch verlies aan vertrouwen in kerninstituties als regering, parlement en politieke partij; en de op¬komst van protest-partijen en anti-democratische be¬wegingen. Democratie wordt populairder, maar kan tegelijkertijd steeds minder enthousiasme voortbren¬gen, of althans zo lijkt het.
Beschouwen we de positieve kant, dan zien we dat het aantal democratische staten in de wereld sterk is toegenomen, van 42 in 1974 naar 89 in 2009, terwijl het aantal onvrije landen gedaald is van 64 naar 47 (de gegevens zijn van Freedom House). Naar schatting 46% van de wereldbevolking woont in een vrij land. Steun voor de democratie als de best mogelijke vorm van regeren is onverminderd hoog in alle regio's van de wereld. Het idee dat democratie als systeem wel¬iswaar problemen kent, maar toch beter is dan welk ander politiek stelsel dan ook, kan in op één na alle landen (Nigeria) op de steun van een grote meer¬derheid van de bevolking rekenen. In een land als Denemarken steunt zelfs 99% van de bevolking deze stelling. Tegelijkertijd is er echter ook reden tot enige zorg. Freedom House constateert nu al vier achtereen¬volgende jaren een verslechtering in de situatie van de politieke rechten en burgerlijke vrijheden in de we¬reld.
In de gevestigde en nieuwe democratieën is er sprake van toenemende politieke onvrede of zelfs desil¬lusie met de politiek. Hoewel niet alle tekenen van verandering in de werking van de democratie ook noodzakelijk een verslechtering hoeven in te houden (lage participatie kan ook op tevredenheid duiden), is er toch reden voor grote zorg. Burgers bezien poli¬tieke partijen en politici met groot wantrouwen, zo niet cynisme. Ook het vertrouwen in de regering, het parlement, grote bedrijven en vakbonden is laag en dalende. De meest recente opiniepeilingen in de Verenigde Staten laten bijvoorbeeld zien dat on¬danks de schijnbare politieke opleving onder presi¬dent Obama het vertrouwen in de regering tot een dieptepunt is gezakt. Zo zegt minder dan 20% van de Amerikaanse burgers dat de regering altijd of meestal te vertrouwen is en blijkt meer dan 80% de regering te wantrouwen.
Er is nog meer slecht nieuws voor de democratische rechtsstaat. In een toenemend aantal landen, zeker waar het electorale systeem dat gemakkelijk toelaat, groeit de steun voor, en de invloed op de regering van, populistische, rechts-radicale partijen. Sommige van deze groeperingen zijn geworteld in de extreem-rechtse traditie en zijn gewoon anti-democratisch. Andere partijen, zoals de Nederlandse PVV, zijn aan het rechts-liberalisme ontsproten en hebben vooral pro¬blemen met de representatieve democratie, die ze vervangen willen zien door een meer plebiscitaire (ofwel populistische) democratie. Daarnaast willen zij ook de politieke rechten beperken van diegenen die zij tot buitenstaanders rekenen. Het PVV-programma stelt bijvoorbeeld dat de Nederlandse democratie in haar grootste crisis verkeert sinds Torbecke, omdat de (linkse) elite het volk in het geheel niet representeert. Daarom moet de Eerste Kamer worden afgeschaft, het aantal leden van de Tweede Kamer drastisch worden verminderd (evenals hun bezoldiging trouwens), moet er een bindend referendum komen om de elite direct te kunnen corrigeren, moeten rechters en officieren van justitie door het volk worden gekozen en moet het Europees Parlement worden opgeheven (om maar een greep uit het programma te nemen). Daarnaast moet niet-Nederlanders het stemrecht bij gemeenteraadsverkiezingen worden ontnomen en mogen mensen met een dubbele nationaliteit niet in de regering, het parlement, de Provinciale Staten of gemeenteraden plaatsnemen of bepaalde overheidsfuncties uitoefenen. Leest u het maar na op www.pvv.nl.
Wat is er gaande? Waar komen de onvrede met de democratie en de politieke malaise vandaan? Zijn de instituties van de democratie niet goed genoeg aangepast aan de veranderde maatschappelijke omgeving? Dat lijkt geen goede verklaring, omdat alle democra¬tieën, met hun sterk uiteenlopende institutionele vor¬men, met dezelfde problemen kampen. Pasklare in¬stitutionele oplossingen lijken er dan ook niet te zijn. Waar ligt het dan wel aan?
De politieke elite schuift graag de schuld in de schoenen van de burger. Allereerst zou de burger te dom zijn. Of, netter uitgedrukt: burgers beschikken over gebrekkige informatie over de werking van de democratische politiek en ze zijn onvoldoende opge¬leid om de complexiteit ervan te doorgronden. Omdat ze de democratische politiek niet begrijpen, keren ze zich ervan af. Ten tweede, de burgers zouden juist te slim zijn. Of, chiquer omschreven: de opmars van de homo economicus, ook in de politiek, heeft de calcule¬rende burger gecreëerd, die heel goed in staat is het eigen belang in de publieke sfeer te behartigen, maar die, vanwege de kosten, niet bereid is de publieke zaak ook te dienen. Ten derde, de burger zou te lui zijn. Of, aardiger verwoord: er zijn ruim voldoende mogelijkheden tot deelname aan de politiek en de burgers worden uitdrukkelijk uitgenodigd en gesti¬muleerd hiervan gebruik te maken, maar ze doen het gewoonweg niet.
De burgers, zeker op feestjes en partijen, leggen de verantwoordelijkheid geheel bij de politieke partijen en de politici: ze zijn corrupt (zakkenvullers) en in¬competent; ze liegen meestal of altijd, luisteren niet of nauwelijks naar gewone burgers en zijn uitsluitend in hun eigen belang geïnteresseerd. En al zouden ze al van goede wil zijn, dan zouden ze toch niets voor elkaar kunnen krijgen, omdat ze helemaal geen macht meer hebben. Die macht hebben ze namelijk zelf uit handen gegeven, door die af te dragen aan internationale organisaties zoals de Europese Unie, aan de rechterlijke macht, aan de markt of aan vage quasi-overheidsinstellingen waar niemand verant¬woordelijk voor is. Vaak geven politici zelf uitdruk¬kelijk toe dat ze niet te vertrouwen zijn en dat het beter is bepaalde bevoegdheden over te dragen aan experts, die wél het algemeen belang kunnen dienen. Is het dan een wonder dat burgers in de democratie massaal afhaken?
Daar komt bij dat door de 'missionaire' buitenland¬se politiek van de Verenigde Staten democratisering in toenemende mate met fanaticisme, oorlog en ge¬weld geassocieerd wordt. Het gevolg is dat democra¬ten in autoritaire en andere niet-democratische lan¬den zich gaan afvragen of de westerse constitutionele democratieën nog wel als een voorbeeld of ideaal ge¬zien moeten worden. In de gevestigde democratieën is immers iedereen ontevreden, anti-democratische par¬tijen worden er sterker en democratie blijkt elders met geweld te moeten worden opgelegd en gehandhaafd.
Ook al zit er in elk van de stekelige verwijten wel een kern van waarheid, de democratische malaise is te wijd verspreid, te universeel, om met zulke onder¬ling tegenstrijdige verklaringen goed geduid te kun¬nen worden. Er is dringend behoefte aan dieper zelf¬onderzoek. Dit is belangrijk, want door de kakafonie van verwijten en kritiek dreigen we de grote verwor¬venheden van de democratische politiek en de rechts¬staat, namelijk institutionalisering van vreedzame oplossingen van tegenstrijdige belangen via collectie¬ve en representatieve besluitvorming en bescherming van de vrijheid, uit het oog te verliezen.
Prof. dr Kees van Kersbergen is verbonden aan het Department of Political Science van Aarhus University in Århus, Denemarken