De baten van de interne markt worden overschat
- De analytische literatuur, noch de statistische uitkomsten wijzen op eenduidige positieve effecten van het harmonisatiebeleid.
- Herbezinning met een bredere blik op de oorzaken van groeiverschillen en kritische reflectie op integratiestudies is nodig.
- Politici moeten dure Europese compromissen op hun eigen merites aanprijzen en niet vanwege vermeende interne-markteffecten.
Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd door ESB op 11 februari 2026.
Verdieping van de Europese interne markt staat hoog op de politieke agenda. Steeds wordt daarbij aangenomen dat de baten van de interne markt opwegen tegen de herverdelende kosten die met die verdieping verbonden zijn. Klopt dat wel?
Met de in het meerjarig financieel kader 2028-2034 voorgestelde ophoging van het EU-budget en de hernieuwde uitbreiding staan verdieping en verbreding van Europese integratie opnieuw hoog op de politieke agenda. Nieuwe, politiek gevoelige en dure compromissen liggen daarmee in het verschiet (Wesseling, 2025). Een terugkerend argument om verdere integratiestappen te verdedigen, is dat de welvaartsbaten van de interne markt dermate groot zijn dat deze compromissen meer dan goed gemaakt worden (Tweede Kamer, 2025). De aanname is veelal dat de economische baten groot zijn en er nog meer winst volgt als economische integratie wordt ‘afgemaakt’. Hierbij gaat het onder meer om de kapitaalmarktunie (gericht op sparen en investeren), industrie- en technologiebeleid (Draghi, 2024), eurobonds, en het opruimen van handelsbeperkingen zoals die nu ervaren worden (IMF, 2024). Maar is het wel terecht om welvaartsstijging toe te schrijven aan het interne-marktbeleid? In dit artikel maken een scan van modelmatige analyses in de internationale interne-marktliteratuur en we vergelijken de welvaartsgroei van de oude EU-15 met de ontwikkelingen in vergelijkbare OESO-landen.
Model-analytisch perspectief in Nederland
In het Nederlandse debat over de baten van de interne markt zijn de studies van het CPB (2008; 2022) toonaangevend geweest. In de nasleep van het ‘nee’ tegen de Europese grondwet in 2005 schatte het CPB (2008) de opbrengst van de interne markt rond de duizend euro per inwoner per jaar. Dat werd in de media en politiek gepresenteerd als één maandsalaris. Later kwam daar nog de schatting bij dat invoering van de euro één weeksalaris zou hebben opgeleverd (Teulings et al., 2011).
Na de erkenning door de directeur van het CPB dat de schatting dat de invoering van de euro één weeksalaris had opgeleverd te hoog was (De Telegraaf, 2014; CPB, 2014), ontstond enige ophef. Mede omdat ook het extra maandsalaris als resultaat van de interne markt overoptimistisch bleek. Een latere studie schatte de handelsbaten op 3,1 procent van het bruto binnenlands product (CPB, 2022). Overigens schatte de Amerikaanse kamer van koophandel het effect per hoofd van de bevolking voor Nederland tussen 1995 en 2015 op slechts 0,79 procent (Le Europe, 2017).
Model-analytisch perspectief internationaal
Ook in de internationale literatuur zien we dat de inschattingen van de effecten van de interne markt zeer wisselend zijn en soms overdreven worden. Opvallend daarbij is dat studies gepubliceerd tijdens de beleidsvoorbereiding vaak hogere effecten rapporteren dan studies die op andere momenten worden gepubliceerd. We bespreken de studies in chronologische volgorde.
Aanpak in de literatuur
Aanleiding voor studies naar baten van de interne markt is vaak de achterstand ten opzichte van andere werelddelen met als aanbeveling om deze in te lopen door het ‘vervolmaken’ van de interne markt. Dit gold al voor het boek Le défi américain van Servan-Schreiber (1967), dat de relatie tussen schaalgrootte en concurrentievermogen op de kaart zette, en geldt nog steeds voor het rapport van Draghi (2024). De opdrachtgevers en initiatiefnemers van de onderzoeken lopen uiteen, van onafhankelijke onderzoeken tot analyses in opdracht van overheden, bedrijfsleven of ngo’s (Cecchini et al., 1988; Bertelsmann Stiftung, 2019).
Vaak hebben deze studies de vorm van modelmatige projecties, waarbij het welvaartseffect soms direct wordt geraamd en soms via handelsvolumes loopt. Zo zijn er studies op basis van landenvergelijkingen, en studies op basis van gravitatiemodellen die kijken naar omvang, afstanden en verknopingen van toeleveranciers (Baldwin en Taglioni, 2006). Daarnaast zijn er meer sectorale studies, zoals naar de impact op het midden- en kleinbedrijf, zie kader 1.
Kader 1: Belang van de interne markt voor het mkb
Aan de ene kant staan studies die de interne markt voor het mkb van groot belang achten. Een enquête van de Implement Consulting Group (2024; gefinancierd door Amazon) stelt dat 95 procent van de exporterende mkb’ers in elf lidstaten voordeel heeft bij de interne markt en er meer winst te behalen is met het stimuleren van een digitale infrastructuur en “climate goods and services”. Daartegenover staat het kritische rapport van de National Board of Trade Sweden (2024) dat waarschuwt voor onuitvoerbare regulering (duurzaamheid, digitalisering), een toename in onzekerheid door interfererende wetgeving, handhavingsproblemen en groeiende fricties met andere werelddelen. Sun en Pelkmans (1995) waarschuwden dat slechts een beperkt deel van het mkb daadwerkelijk de behoefte heeft om pan-Europees te opereren. De gravitatiestudies laten op hun beurt meer voordeel voor het mkb zien, omdat de toeleveranciers van bedrijven die op de interne markt opereren, worden meegewogen.
Het 1992-programma
De hausse aan interne-marktwetgeving stamt van na het bekende whitepaper van Cockfield (1985) van de Europese Commissie, met de beroemde 300 voorgestelde harmonisatiemaatregelen die de basis werden van de bloei van Europese integratie onder Jacques Delors, commissievoorzitter tussen 1985 en 1995. Deze 300 voorstellen hadden eind 1992 als deadline (het ‘1992-programma’) en bleken een recept dat tal van politieke en maatschappelijke krachten stimuleerde. Het wetgevingsproces werd ondersteund door de Europese Akte van 1986, die wederzijdse erkenning van standaarden mogelijk maakte op basis van minimum-harmonisatie, en door uitbreiding van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheden. Dit beleid is later verdiept en verbreed met, onder meer, de introductie van de euro in het Verdrag van Maastricht (1992) en de stapsgewijze uitbreiding naar uiteindelijk 27 lidstaten.
Studies in de aanloop naar Delors’ 1992-programma tonen de beperkte welvaartseffecten van de interne markt in de zes tot twaalf lidstaten tot dan toe. Aanvankelijke inschattingen van de groei-effecten van verdiepte integratie in de jaren tachtig waren laag (Nelson en Pelkmans, 1985). Landau (1995) en Vanhoudt (1999) zagen in een vergelijking van groei per capita in rijke OESO-landen tussen 1950 en 1990 geen significante verschillen tussen EEG- en niet-EEG-landen. Vanhoudt vond geen schaaleffecten en concludeerde dat de economische groei afnam door de uitbreiding van zes tot tien lidstaten.
Om het 1992-programma op de kaart te zetten, publiceerde de Commissie een studie naar de ‘Costs of Non-Europe’ (Cecchini et al., 1988). Hierin werd het effect over de lange termijn geschat op 5 à 6,5 procent van het bbp. Dit stimuleerde het optimisme over de interne markt en de Europese integratie. Baldwin et al. (1992) en Allen et al. (1998) schatten de baten van een vergrote concurrentie op basis van de interne markt voor goed geïntegreerde kleinere lidstaten en specifieke sectoren zelfs op tien à twintig procent over een periode tot tien jaar.
25 jaar interne markt
De studie van Campos et al. ( 2014) vergelijkt het groeipad van de EU, samengesteld uit de hoogontwikkelde economieën van vroege lidstaten en ex-Oostbloklanden, met dat van een groep van elf OESO-landen (geen EU) en 24 middeninkomenslanden. Die analyse suggereert een positief effect van EU-lidmaatschap (een aanzienlijk bredere vergelijking dan die voor de interne markt alleen) van gemiddeld twaalf procent inkomen per hoofd. France Stratégie (2017) benadrukt het belang van de interne markt maar ziet ook dat de afname in de productiviteitsgroei ten opzichte van de VS is doorgezet. De publicatie bepleit het ‘afmaken’ van de interne markt, waardoor handelsvolumes sterk zouden groeien.
In zijn studie van 25 jaar interne markt concludeert commissieambtenaar In ’t Veld (2019) dat de herschikking van het micro-economische krachtenveld de interne markt tot een succes heeft gemaakt. Met een geschatte toename van het gemiddelde Europese bbp van acht à negen procent op de lange termijn overstijgt zijn schatting die uit het boek van Cecchini et al. (1988).
Uitbreiding interne markt
Een andere toon slaan Barnebeck Andersen et al. (2019) aan op basis van een vergelijking van het bbp per hoofd in 21 EU- en non-EU-landen (OESO-landen) sinds 1961. Zij zien geen bevestiging van de hypothese dat groei na de grote uitbreiding van 2004 hoger was dan in de controlegroep. “This constitutes a sobering and transparent piece of evidence to suggest that EU membership is no pre-packaged growth recipe.” Zij pleiten om die reden voor een agnostische opstelling in het debat over de interne markt en plaatsen vraagtekens bij publieksgerichte overheidspublicaties.
Brexit
Tot slot vormde de Brexit een proeftuin voor inschattingen van het belang van de interne markt. In de aanloop naar Brexit was de breed gedeelde inschatting dat die zeer schadelijk zou zijn. HM Treasury (2016) verwachtte een verlies in bbp van zes procent over een periode van vijftien jaar. Dhingra et al. (2016) schatten een terugloop van 6,3 tot 9,5 procent van het bbp op de lange termijn bij een Brexit op basis van WTO-regels, en van 1,3 tot 2,6 procent bbp op basis van de mildere ‘Noorse’ beleidsvariant. De OESO (2016) sprak van een ‘Brexit-belasting’ van vijf procent in 2030 door de gecreëerde onzekerheid en hogere prijzen. The Office for Budget Responsibility schatte dat de goederenhandel op de lange termijn vijftien procent zou achterblijven (OBR, 2023).
De ‘Leave’-campagne schermde daarentegen met een positief macro-inkomenseffect van vier procent door deregulering en handelsakkoorden (Sampson et al., 2016). Hoewel de meeste studies alarmistisch waren, bleef de gevreesde crisis uit en is Brexit, ondanks het ontbreken van adequaat nationaal beleid, vooralsnog minder slecht uitgepakt dan gedacht, met mogelijk een verlies van twee tot vier procent van het bnp (Portes, 2023; Reuters, 2025). Daarbij laten Europese bbp-groeicijfers voor de periode 2017–2024, met daarin Brexit, corona en het grote Europese coronanoodfonds, zien dat het VK gemiddeld onder de EU-15 scoorde maar boven Duitsland (VK 1,0 procent, Duitsland 0,6 procent en de EU-15 1,3 procent). Gezien de stroom van Brexit-studies zijn er natuurlijk nog geen definitieve oordelen of inzicht in de kosten mogelijk.