Research

Op-ed

Wereld is niet maakbaar, leert Uruzgan

02 Aug 2010 - 11:53
Uruzgan Professionele inzet van krijgsmacht laat onverlet dat missie slechts ten dele succesvol was

Morgen, 1 augustus, wordt de vierjarige militaire en civiele inzet van ons land in de Afghaanse provincie Uruzgan officieel beëindigd.

In het initiële Kamerdebat over de missie in Uruzgan begin 2006 stonden de voorstanders van een wederopbouwmissie tegenover degenen die niet aanvaardden dat wederopbouw pas mogelijk is nadat een veilige omgeving is geschapen. Maar in de artikel 100-brief die het kabinet op 22 december 2005 aan de Kamer stuurde, stond toch duidelijk: "Het betreft een missie met reële militaire risico's." In die brief benadrukte het kabinet ook dat "aansprekende resultaten niet vanaf het begin zichtbaar zullen zijn".

Die constatering was logisch gezien het sombere beeld dat van de veiligheidssituatie werd geschetst. Inmiddels is op basis van ervaringen in Irak en Afghanistan in de vernieuwde Nederlandse 'militaire doctrine voor het landoptreden' het verschil tussen een opbouw- en vechtmissie vervallen. Van een soldaat wordt verwacht dat hij tegelijkertijd zowel praat, als vecht en noodhulp verleent.

De vraag is in hoeverre de vierjarige missie succesvol is geweest. Het ligt voor de hand dit te toetsen aan de vier redenen die de regering eind 2007 noemde in haar besluit om tot augustus 2010 de leiding te houden in Uruzgan: veiligheid, solidariteit, mensenrechten en geloofwaardigheid.

Op het gebied van veiligheid wilde de regering dat Afghanistan geen vrijhaven meer zou zijn voor terroristen en extremisten. Afgezien van de vraag of de Talibaan op basis van hun ervaringen weer faciliteiten voor extremisten op hun grondgebied zouden toestaan, moet geconstateerd worden dat de veiligheidssituatie in Afghanistan over het algemeen danig verslechterd is. De documenten die WikiLeaks deze week publiceerde, bevestigen dit nog eens. In Uruzgan zijn als onderdeel van de inktvlekstrategie plaatsen als Tarin Kowt, Deh Rawod en Chora echter relatief veilig geworden, zeker in vergelijking met andere provincies in het zuiden. Toch staat nog zo'n 30 procent van de bevolking in Uruzgan onder controle van de Talibaan en andere opstandige bewegingen.

De regering voerde solidariteit op omdat Afghanistan een van de allerarmsten landen in de wereld is. Dit betekent dat ons land Afghanistan moet helpen bij opbouw, ontwikkeling en veiligheid. Op dit terrein is in Uruzgan - zij het bescheiden - vooruitgang geboekt. Op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg zijn de afgelopen jaren vele projecten uitgevoerd en ook de economische bedrijvigheid is toegenomen. Daarnaast is ook Afghanistan zelf met 3.200 militairen en 1.600 politieagenten gaan bijdragen aan de veiligheid in Uruzgan. De geïntegreerde 3D-benadering (Development, Diplomacy, Defence) heeft, voor zover de veiligheidssituatie het toeliet, vruchten afgeworpen.

Gezien het universeel respect voor mensenrechten waaraan Nederland hecht, mocht deze reden voor verlenging niet ontbreken. Tijdens de donkere dagen van het Talibaanregime werden de mensenrechten immers bruut geschonden, in het bijzonder de vrouwenrechten. De huidige mensenrechtensituatie in Afghanistan is echter nog steeds zorgelijk. Diepgewortelde discriminatie en marginalisatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan zijn voorbeelden van problemen waarop slechts langzaam vooruitgang wordt geboekt. De ondoorzichtigheid van het Afghaanse wetgevingsproces is daarbij een belemmerende factor. De zwakte van het justitiële systeem staat vooruitgang in de weg. Het maatschappelijk middenveld is nog te zwak om de naleving van de mensenrechten door de Afghaanse autoriteiten in alle gevallen afdoende te kunnen monitoren.

Ten slotte voert de regering geloofwaardigheid op als reden, verwijzend naar ons lidmaatschap van de NAVO, welke organisatie al bijna zestig jaar de hoeksteen van ons buitenlands en veiligheidsbeleid is. Lid zijn van een dergelijke organisatie met de daaraan verbonden collectieve veiligheid schept ook verplichtingen, aldus de regering. Op zich is dit een valide argument, zij het dat bondgenoten in Afghanistan deze verplichtingen nogal verschillend beoordelen. Amerika beschouwt zich als een land dat in oorlog is, terwijl de Duitsers voornamelijk over wederopbouw spreken. Daarnaast is het contraproductief om - zoals onder meer voormalig secretaris-generaal Jaap de Hoop Scheffer deed - te spreken over ISAF als een lakmoesproef voor het voortbestaan van de NAVO. Het lijkt er zelfs op dat het redden van het bondgenootschap een oneigenlijk nevendoel van de interventie is geworden.

Al met al is de missie slechts deels een succes geworden. Al is de vraag of gezien de complexiteit en aard van het conflict in Afghanistan, meer haalbaar was geweest. Het conflict in Afghanistan is immers een voorbeeld van wat de Britse generaal b.d. Rupert Smith in zijn The Utility of Force, een oorlog noemt die niet plaatsvindt op het slagveld, maar tussen de mensen. Oorlogen kennen volgens Smith tegenwoordig geen absolute 'harde' doelstellingen meer, maar zijn gericht op vage concepten zoals humanitaire interventie en regime change. In plaats van een conflict definitief te kunnen beslissen, worden strijdkrachten ingezet om een situatie te scheppen waarbinnen een definitieve oplossing voor het conflict moet worden gevonden.

Anders gezegd: een militaire overwinning valt niet te behalen, hooguit kunnen militairen de omstandigheden zo beïnvloeden dat de uitkomst op andere manieren te sturen is. In Afghanistan is op strategisch niveau de inzet van civiele instrumenten ver achtergebleven bij die van militaire instrumenten.

De Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) heeft vorig jaar in een advies behartigenswaardige kanttekeningen geplaatst bij complexe crisisbeheersingsoperaties in fragiele staten, zoals Afghanistan. Veelal kennen deze operaties hoge ambities, maar de praktijkervaringen nopen juist tot terughoudendheid. Kortom, bescheidenheid en nuchterheid dienen volgens de AIV de boventoon te voeren. De wereld is niet maakbaar, zelfs niet ons eigen, zeer ontwikkelde land. De gedachte dat een buitenlandse interventiemacht in de wereld elders in minder ontwikkelde landen de maatschappij wel naar haar beeld zou kunnen vormen, is een nog grotere illusie. Het aanhoudend geweld in Irak en Afghanistan en de voortdurende spanningen in bijvoorbeeld Bosnië en Kosovo hebben onzekerheid doen ontstaan over de doelstellingen van humanitaire interventies en vredesmissies.

Een punt van zorg voor de nabije toekomst is bovendien het maatschappelijk draagvlak voor de krijgsmacht. Gemiddeld driekwart van de bevolking acht al decennialang de krijgsmacht nodig dan wel noodzakelijk. Ook de steun voor de hoofdtaken van Defensie blijkt uit onderzoek relatief hoog en constant te zijn. Maar een kleine meerderheid was zowel tegen het initiële als het verlengingsbesluit voor de Uruzgan-missie. Het gevaar bestaat dat wanneer specifieke missies een meerderheidssteun blijven ontberen dit gevolgen zal hebben voor de steun in de krijgsmacht in het algemeen.

Een en ander laat onverlet dat de grote militaire inspanning in Uruzgan heeft aangetoond dat Nederland over een professionele krijgsmacht beschikt, die alom respect heeft afgedwongen.