Research

Ranking the European stars?

13 Aug 2009 - 10:52
Tijdens de Europese verkiezingscampagne buitelden de politieke partijen over elkaar heen om kiezers te verzekeren dat het Nederlandse belang bij hen in goede handen zou zijn. Inmiddels zijn de 736 nieuwe Europarlementariërs officieel benoemd en zijn, na het nodige interne gekrakeel, de interne functies binnen het Europees Parlement (EP) verdeeld. Hebben de 25 Nederlandse Europarlementariërs goede plekken bemachtigd? En wat zegt dit over hun uitgangspositie om in de komende vijf jaar politiek verschil te kunnen maken?

Als eenling bereik je niet veel in een parlement van 736 leden. Maar binnen het EP worden aan het begin van een nieuwe termijn allerlei functies verdeeld, die een Europarlementariër in staat stellen boven het maaiveld uit te steken. Er zijn de prestigieuze banen van voorzitter en ondervoorzitter van het Parlement, die de twee grootste partijen onderling verdelen. Zo zal de Pool Jerzy Buzek de komende 2,5 jaar de plenaire vergadering voorzitten. Alle 22 vakcommissies hebben daarnaast een voorzitter en 3 of 4 ondervoorzitters. De verdeling van deze posten gaat buitengewoon ingewikkeld in z'n werk. Het draait in de eerste plaats om koehandel tussen de zeven groepen (fracties) in het EP. De 'niet-aangesloten' leden, waaronder de PVV-ers, doen niet mee in de verdeling van de functies. Als bekend is welke groep iemand mag voordragen voor een functie, wordt er gekeken naar expertise en eigen voorkeur van de parlementariërs. Nationaliteit wordt wel meegewogen, maar is van ondergeschikt belang.

De afgelopen weken is er achter de schermen druk onderhandeld over de functieverdeling. Het was voor de nieuwe leden (bijna de helft van alle Europarlementariërs is nieuw) een eerste kennismaking met het politieke ellebogenwerk binnen het EP. Nu de verdeling bekend is, heeft een recente Roemeense studie de verdeling van functies per lidstaat beoordeeld. Hun conclusie: Nederland komt er maar karig vanaf. De Nederlandse Europarlementariërs hebben geen enkel voorzitterschap in de wacht gesleept. Nederland levert ook maar vijf ondervoorzitters (twee van commissies, drie van politieke fracties). Deze aantallen steken mager af wanneer ze worden afgezet tegen de 'score' van EP-ers afkomstig uit andere middelgrote landen, zoals België, Hongarije, Zweden en Oostenrijk.

Zulke lijstjes zijn natuurlijk altijd nieuwswaardig - een soort Europese variant op 'ranking the stars'. Het is echter maar zeer de vraag wat de functieverdeling zegt over de invloed van lidstaten in het Europees Parlement. Om te beginnen stemmen Europarlementariërs uit één land zelden als nationale groep. In het EP heerst een stevige partijdiscipline: de leden stemmen bijna altijd als fractie en niet als Duitsers, Letten of Hongaren. Dit zou ook lastig zijn: de meeste onderwerpen zijn zo complex dat er nauwelijks sprake is van 'een' nationaal belang.

Wat wel uitmaakt voor de invloed van Europarlementariërs is in welke commissie je zit, want de invloed van het Parlement verschilt nogal per beleidsterrein. Opvallend is dat zich kluitjes Nederlanders hebben gevormd in een aantal vakcommissies, terwijl andere geen enkel Nederlands lid in de geledingen hebben. Zo heeft Barry Madlener met drie andere Nederlanders een plek verworven in de commissie Buitenlandse Zaken. Het is dé plek om het PVV standpunt over Turkse toetreding te berde te brengen - maar als het om wetgeving aankomt staat het EP buiten spel. Het Europese buitenlandbeleid is immers in handen van de lidstaten. Het Milieucomité, daarentegen, is een van de actiefste commissies met de meeste macht. De leden, waaronder vier Nederlanders, onderhandelen intensief met de lidstaten over nieuwe Europese milieuwetgeving. Ook de commissie Justitie en Binnenlandse Zaken, booming business in Europa, herbergt zeven Nederlanders van bijna alle politieke partijen. Het Begrotingscomité is belangrijk omdat het EP (zeker na inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon) een stevige vinger in de pap heeft in het bepalen van de Europese begroting. In deze commissie heeft maar één Nederlander een plek weten te bemachtigen. En in de Visserijcommissie (een beleidsterrein waar alle regelgeving via Europa gaat) is geen enkele Nederlander voltijds lid.

Moeten Nederlanders zich nu zorgen gaan maken dat de nationale belangen op het gebied van de Europese financiën of visserijbeleid verkwanseld zullen worden? Dat valt gelukkig wel mee. Ten eerste zijn de belangrijkste twee parlementaire functies, die van rapporteur en fractiewoordvoerder, niet meegenomen in de Roemeense studie. Vanuit deze functies, die worden verdeeld op het moment dat het EP zich over nieuwe beleidsvoorstellen buigt, kan je echt invloed uitoefenen op de tekst van nieuwe wetten. Zo kan Ria Oomen ook deze periode een grote stempel blijven drukken op het standpunt van het EP over de uitbreiding met Turkije. Ten tweede: het zijn eerst en vooral de Nederlandse ministers - en hun ambtenaren - die tot taak hebben om de Nederlandse belangen te behartigen in de Raad van Ministers. De rol van het Europees Parlement is een andere, namelijk het vinden van een compromis tussen partijpolitieke afwegingen, maatschappelijke belangen en nationale posities. Los van hun functies binnen de interne pikorde, is het vooral van belang hoe actief individuele leden zich opstellen in dat dagelijkse politieke werk. Dat gegeven biedt de Nederlanders alle kansen om hun gebrek aan institutionele positie te compenseren met verbale kracht.