Research
Articles
Rechtsgrond inzet militairen Afghanistan terecht omstreden
Op verzoek van de oppositiepartijen PvdA, GroenLinks en de SP houdt de Tweede Kamer vandaag een plenair debat over deze zaak, alvorens zich uit te spreken over de missie als zodanig. Dat was de uitkomst van een ordedebat, waarbij de regeringspartijen van hun kant lieten weten een apart debat over de rechtsgrond niet noodzakelijk te achten.
Met het besluit een aparte discussie te voeren over de rechtsgrond van een uitzending, uniek in de moderne parlementaire geschiedenis, wordt een interessant precedent geschapen. De uitkomst van zo'n debat is ook relevant om een duidelijk beeld te krijgen van de betrokkenheid van het parlement bij de besluitvorming op grond van de artikelen 97 en 100 uit de Grondwet.
In de brief, waarin de Tweede Kamer over het besluit wordt geïnformeerd, voert het kabinet twee rechtsgronden aan: het recht op zelfverdediging en de strijd tegen het internationaal terrorisme.
Letterlijk staat in de brief: 'Het mandaat voor de operatie Enduring Freedom is gebaseerd op artikel 51 van het VN-Handvest. Op 12 september 2001 heeft de VN-Veiligheidsraad met resolutie 1368 een oproep gedaan het terrorisme te bestrijden.
Het afgelopen jaar bevestigde de VN-Veiligheidsraad in diverse resoluties (resolutie 1526 van 30 januari 2004, resolutie 1563 van 17 september 2004 en resolutie 1566 van 8 oktober 2004) het belang van de strijd tegen het terrorisme'.
Door de zaken zo voor te stellen heeft het kabinet de discussie over de rechtsgrond over zichzelf afgeroepen. Het kabinet had kunnen volstaan met een verwijzing naar de uitoefening van het recht op zelfverdediging, geheel in lijn met de Amerikaanse rechtvaardiging voor operatie Enduring Freedom in een brief aan de Veiligheidsraad op 7 oktober 2001.
De betekenis van resolutie 1368 lag vooral in de erkenning (in een van de inleidende paragrafen) van het inherente recht op individuele of collectieve zelfverdediging krachtens het VN-Handvest. Strikt genomen valt ook moeilijk vol te houden dat 'het mandaat' van operatie Enduring Freedom is gebaseerd op dat artikel 51.
Het kabinet voert vervolgens een viertal resoluties van de Veiligheidsraad aan (minister Kamp van Defensie deed dat ook in zijn uitspraken op de persconferentie en in het tv-programma Buitenhof) die de operatie zouden rechtvaardigen.
Dat is op zijn minst aanvechtbaar. De resoluties roepen slechts in algemene termen op tot steun aan de strijd tegen het internationaal terrorisme. Met geen woord wordt gesproken over het gebruik van geweld, laat staan over (het mandaat van) operatie Enduring Freedom. Hier heeft de oppositie absoluut een punt. Sterker: de Veiligheidsraad heeft zich nooit expliciet uitgelaten over de operatie in Afghanistan, hooguit indirect in resoluties voorzover die een relatie legden met het mandaat van de multinationale troepenmacht ISAF.
Curieus is dat de regering het beroep op het recht op zelfverdediging helemaal niet nader uitwerkt en zich beperkt tot een verwijzing naar de vier genoemde resoluties (alleen minister Bot van Buitenlandse Zaken verwees na de ministerraad naar dit recht op zelfverdediging). Het kabinet had het zich een stuk makkelijker gemaakt indien het had verwezen naar een eerdere brief uit september 2004, die betrekking had op de inzet van een Nederlands fregat in operatie Enduring Freedom (oktober 2004 tot medio januari 2005). Deze brief bevat, onder verwijzing naar artikel 51 van het VN-Handvest, een veel uitvoeriger verhandeling over de merites van deze juridische grondslag, en verwijst daarbij zowel naar resolutie 1368 (!) als naar het besluit van de Noord-Atlantische Raad om artikel 5 uit het Navo-verdrag van toepassing te verklaren.
De brief is om twee redenen interessant. Zo wordt nadrukkelijk gesteld dat bij de Nederlandse bijdrage aan operatie Enduring Freedom de verdedigingstaak aan de orde is, de eerste doelomschrijving van artikel 97 van de Grondwet. Dit vloeit voort, aldus de brief, uit de toepassing van artikel 51 van het VN-Handvest en het van kracht verklaren van artikel 5 van het NAVO-verdrag. (De verwijzing naar de NAVO lijkt mij in dit verband niet terzake, omdat het bij de Nederlandse bijdragen gaat om het honoreren van Amerikaanse verzoeken aan ons land, buiten de NAVO om). Voorts geeft het kabinet aan waarom bij de Nederlandse inzet bij operatie Enduring Freedom de tweede doelomschrijving van artikel 97 (handhaving van de internationale rechtsorde) en artikel 100 van de Grondwet (informatievoorziening en het Toetsingskader) niet van toepassing zijn.
Van cruciaal belang is voorts de paragraaf waarin de regering schrijft: 'De Nederlandse militaire bijdrage aan de operatie Enduring Freedom is een direct gevolg van de aanslagen op de Verenigde Staten (van 11 september 2001), en gekoppeld aan de strijd tegen Al Qa'ida en Taliban. Alleen op deze basis beschikken de Nederlandse militairen die in dit kader worden ingezet, over bevoegdheden die voortvloeien uit het oorlogsrecht' (cursivering, D. Leurdijk).
Elders in de brief wordt operatie Enduring Freedom aangemerkt als een 'gewapend conflict', met Al Qa'ida en de Taliban als de 'vijandelijke partijen' in dat conflict. Deze overwegingen leiden tot de conclusie: 'Inzet van een fregat in het kader van operatie Enduring Freedom in de wateren rondom het Arabische schiereiland valt dan ook onder het oorlogsrecht'. Wat dit concreet betekent, wordt nader uiteengezet. Deze passages lijken mij relevant voor de positie waarin de Nederlandse special forces terecht komen.
Opmerkelijk is dat hier nauwelijks iets over gezegd wordt in de brief van eind februari, anders dan dat de taakgroep voor 'gevechtsacties' kan worden ingezet, dat de inzet risico's met zich meebrengt die verantwoord worden geacht 'gezien het belang van de operatie Enduring Freedom', en dat Nederland bij deze operatie nationale Rules of Engagement hanteert.
De conclusie kan niet anders zijn dat de oppositiepartijen terecht hebben gevraagd om een apart debat over de rechtsgrond. De aard van de operatie, met een beroep op de toepasselijkheid van het recht op zelfverdediging, rechtvaardigt zo'n debat.
Pikant in dit verband is ook nog dat de regering vorig jaar zo nadrukkelijk aangaf, in de brief van september, dat het gebruik van geweld door Nederlandse militairen (dus de toepassing van de bevoegdheden die voortvloeien uit het oorlogsrecht), uitsluitend gekoppeld is aan operatie Enduring Freedom in Afghanistan als een direct gevolg van '9/11'.
Om eraan toe te voegen: 'De Nederlandse militaire bijdrage kan niet zonder meer worden ingezet in de global war on terror.' Ook om die reden wekt het zacht gezegd bevreemding als het kabinet eind februari zo nadrukkelijk verwijst naar de resoluties uit 2004 die, naar eigen zeggen, het belang van de strijd tegen het terrorisme bevestigen. Ook op dit punt mag de oppositie opheldering vragen van de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken. Al kun je je natuurlijk ook voorstellen dat een aantal ambtenaren op het matje worden geroepen.