Research

Articles

Blokkeren van EU-uitbreiding is dom en zinloos

15 Mar 2006 - 00:00
De acties van een aantal bewindslieden en kamerleden om de EU-uitbreiding tegen te houden zijn op zich begrijpelijk, maar ook heel onverstandig. Qua timing doen ze denken aan de pogingen die VVD-leider Bolkestein najaar 1996 ondernam om de toetreding van Polen tot de Navo te verijdelen: te laat om nog enig effect te sorteren.

Duidelijk is wél dat de politici die over de aanbevelingen van de Europese Commissie moeten oordelen - afronding van de onderhandelingen in december en toetreding van tien landen in januari 2004 - niet te benijden zijn. Een jaar geleden hanteerde Brussel nog het regatta-model: elk kandidaat-land zou op grond van eigen verdiensten lid worden. Inmiddels blijkt de Commissie er de voorkeur aan te geven de uitbreiding door middel van een 'big bang' te realiseren en vindt zij alle kandidaten (behalve de duidelijke achterblijvers Roemenië en Bulgarije) geschikt. Het afwijzen van één of meer van de uitverkorenen is onder deze omstandigheden een stuk lastiger.

De discussies die 24 oktober in de Europese Raad gevoerd gaan worden, zullen mede daarom een wat schimmig karakter hebben omdat ze niet zullen gaan over het eindresultaat van de onderhandelingen, die sinds 1997 zijn gevoerd. In de eerste plaats zijn de onderhandelingen nog niet voltooid, in de tweede plaats is er van onderhandelingen in de eigenlijke zin nooit sprake geweest, omdat van het begin af vaststond dat de toetreders het gehele acquis communautaire volledig moesten overnemen. Waar het omzal gaan is of de kandidaat-landen geschikt bevonden zullen worden om de verantwoordelijkheden van het lidmaatschap te dragen. Wat dit betreft verschilt de huidige uitbreidingsronde fundamenteel van de vorige toetredingsexercitie, toen niemand aan de geschiktheid van de kandidaten (Finland, Oostenrijk en Zweden) twijfelde.

Een centraal probleem is dat er geen duidelijke maatstaven voor de beoordeling van geschiktheid bestaan. Uitgangspunt zijn de criteria van de EU-top in Kopenhagen (1993): democratie/rechtsstaat, markteconomie, vermogen om concurrentiedruk te weerstaan, alsmede vermogen om de verplichtingen van het lidmaatschap uit te voeren. Deze maatstaven zijn sinds 1998 de basis geweest voor de jaarlijkse Commissie-rapportage over de afzonderlijke kandidaten. Rapport na rapport ademde dezelfde geest: op tal van punten gaat het goed, op enkele gebieden moet het beter en zullen de EU-hulpfondsen gerichter moeten worden ingezet. Voor alle tien de landen gold de afgelopen jaren echter dat er van vooruitgang sprake was.

Het is echter niet zo vreemd dat parlementariërs, en zeker nieuwkomers, hevig verontrust raken als ze de laatste rapporten lezen. Met de gebruikelijke openhartigheid heeft de Commissie opnieuw grote aantallen knelpunten gesignaleerd: corruptie, voedselveiligheid, rechtspraak, een zwak bestuursapparaat, problemen rond de douane-unie, gebrekkige grenscontrole, te ruime staatssteun, verouderde landbouw, milieuvervuiling, en ga zo maar door. 'Nee zeggen' ligt dus erg voor de hand, zeker als het gaat om Polen, met zijn miljoenen armlastige boeren en zijn lange oostgrens.

Maar nogmaals, dat zou niet verstandig zijn. Om te beginnen kan men niet onbeperkt in Centraal-Europa verwachtingen wekken die vervolgens niet worden ingelost. Ter herinnering: al in 1991 kwamen de eerste associatieakkoorden tot stand, die uitzicht op lidmaatschap boden. In 1994 sprak premier Kok tegenover de Poolse president Walesa de hoop uit dat Polen nog vóór het einde van de eeuw zou kunnen toetreden. In Nice (december 2000) besloot de Europese Raad tot afronding van de onderhandelingen met de koplopers in 2002. Overigens: evenzovele gelegenheden voor verontruste politici om aan de bel te trekken.

Zoals de zaken er nu voor staan heeft Nederland weinig keus meer. Het kan binnen de EU oppositie gaan voeren, maar de schade zal groot zijn. Om te beginnen riskeren we een botsing met Duitsland, dat de uitbreiding van historische betekenis vindt en dat speciaal Polen wil binnenhalen. In de tweede plaats: de uitbreiding mag geld kosten, de potentiële baten liegen er evenmin om. Met Duitsland en Frankrijk behoort Nederland tot de drie grootste investeerders in Centraal-Europa. Ten derde: bij niet-uitbreiding riskeert de EU dat de protectionistische en nationalistische neigingen in de regio versterkt worden en de dynamiek van de hervormingsprocessen zal verdwijnen. Per saldo is er dus geen andere oplossing dan Centraal-Europa van harte in de nieuwe EU welkom te heten. Dat de kandidaat-landen nog jaren gesteund moeten worden spreekt ondertussen vanzelf.