Research

Security and Defence

Articles

Artikel 5 staat geen vrijblijvendheid toe

15 Mar 2006 - 00:00

Het zou een schandaal zijn indien de regeringen van de NAVO-bondgenoten het vertrouwen beschamen dat de Amerikaanse regering nu in de bondgenoten mag hebben, meent A. van Staden.

In de Tweede Kamer is verwarring ontstaan over de gevolgen voor Nederland van het inroepen van artikel 5 van het Noord-Atlantische Verdrag, het grondverdrag van de NAVO. De tekst van dit artikel is inderdaad uiterst omzichtig geformuleerd en dubbelzinnig op het kardinale punt van de bijstandsverplichting. Toch is de positie van ons land minder vrijblijvend geworden dan sommigen willen doen geloven of voor wenselijk houden. Terecht stelde het commentaar in deze krant van afgelopen zaterdag naar aanleiding van het twee dagen tevoren gehouden Kamerdebat vast: 'Bondgenoot Nederland heeft zich gecommitteerd'. Maar waaraan?

Om deze vraag in het juiste licht te plaatsen, is het nodig een stap terug in de geschiedenis te maken. Toen de toekomstige bondgenoten van Europa en Noord-Amerika in Washington enige jaren na de Tweede Wereldoorlog met elkaar gingen onderhandelen over het ontwerp-verdrag, is er van Europese zijde sterk op aangedrongen de bijstandsverplichting zo absoluut en zo onvoorwaardelijk mogelijk te formuleren. Begrijpelijk, het waren immers de in militair opzicht zwakke Europese landen die bescherming zochten bij de Verenigde Staten tegen de Sovjet-dreiging, zoals die toen werd gevoeld.

In feite maakten zij zich, onder aanvoering van de toenmalige Britse minister van Buitenlandse Zaken, Ernest Bevin, sterk voor het voorstel de formulering van de bijstandsclausule uit het Verdrag van Brussel (1948), de juridische basis van de latere West-Europese Unie (WEU), over te nemen in het nieuwe verdrag. Het WEU-verdrag legt niet alleen de verplichting tot bijstand vast in het geval van een gewapende aanval op een der bondgenoten, maar bepaalt ook dat de bondgenoten zijn gehouden die bijstand te verlenen met alle militaire en andere middelen waarover ze beschikken.

Het Europese voorstel stuitte op bezwaren van de regering van president Truman. De Amerikaanse Senaat was in meerderheid nog maar nauwelijks bekeerd van langdurig isolationisme ten opzichte van Europa en er waren signalen dat dit lichaam zou weigeren akkoord te gaan met een vergaande bijstandsverplichting. Het was bevreesd dat het Congres als geheel hierdoor in feite zijn constitutionele bevoegdheid uit handen zou geven andere landen de oorlog te verklaren. Uiteraard was de steun van de Senaat onontbeerlijk om tot ratificatie van een verdrag te komen. Er is toen naarstig gezocht naar een compromistekst, die veel van het vernuft van de opstellers heeft gevergd. Het resultaat is het artikel 5 geworden, dat nu zozeer in het middelpunt van de belangstelling is geraakt.

Waartoe verplicht dit artikel wel en waartoe niet? Er kan geen twijfel over bestaan dat uit het feit van een gewapende aanval op één der bondgenoten een verplichting tot bijstand aan het aangevallen land voortvloeit. De gekozen formulering luidt immers:

"De partijen komen overeen, dat een gewapende aanval tegen één of meer van hen in Europa of Noord-Amerika als een aanval tegen hen allen zal worden beschouwd; zij komen bijgevolg overeen dat, indien zulk een gewapende aanval plaatsvindt, ieder van hen de aldus aangevallen partij of partijen zal bijstaan, in de uitoefening van het recht tot individuele of collectieve zelfverdediging erkend in Artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties".

Van belang is vervolgens vast te stellen dat het aan de lidstaten zélf wordt overgelaten invulling te geven aan de bijstand waartoe zij verplicht zijn, dat wil zeggen de aard en omvang van de te verlenen hulp te bepalen.

Want de aangehaalde formulering vervolgt: "door terstond, individueel en in samenwerking met de andere partijen, op te treden op de wijze die zij nodig oordeelt ? met inbegrip van het gebruik van gewapende macht ? om de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied te herstellen en te handhaven."

De vraag dringt zich uiteraard op wat de implicatie is van de woorden die (in de vertaling in het Nederlands) tussen twee liggende streepjes zijn geplaatst, te weten 'met inbegrip van het gebruik van gewapende macht'. Betekenen deze dat de bijstand niet noodzakelijk een militaire component dient te omvatten, met andere woorden: zou men kunnen volstaan met bijvoorbeeld alleen diplomatieke steun? Zo'n interpretatie ligt niet in de rede. Een beperkte, niet-militaire hulpverlening door Nederland en andere bondgenoten zou op zijn minst in strijd zijn met de geest waarin artikel 5 is geschreven. Dit artikel is het belangrijkste bestanddeel van een verdrag voor wat primair een militair bondgenootschap was en nog steeds geacht wordt te zijn. Het spreekt over een gewapende aanval en verwijst naar het recht op verdediging. Naar mijn smaak wordt mijn uitleg niet aan het wankelen gebracht door, al dan niet om opportunistische redenen, het verschil te beklemtonen tussen verdedigingsmaatregelen en vergeldingsacties. Kan onder omstandigheden vergelding niet de beste verdediging zijn?

Gedurende de Koude Oorlog hebben de Europese bondgenoten zich veel moeite getroost in het wegnemen van elke twijfel aan de bereidheid van de Verenigde Staten alles uit de militaire kast te halen, indien ons werelddeel slachtoffer zou worden van een gewapende aanval uit het Oosten. Van die inspanningen was ook sprake nadat het grondgebied van de VS zelf kwetsbaar was geworden voor vijandelijke lange-afstandsraketten. Anders gezegd: onze regeringen vertrouwden erop dat Washington geen reserves in acht zou nemen in de nakoming van zijn bondgenootschappelijke bijstandsverplichting.

Het zou niet minder dan een schandaal zijn indien dezelfde regeringen het vertrouwen zouden beschamen dat de huidige Amerikaanse regering thans in de bondgenoten mag hebben. Vertrouwen in de bereidheid aan Europese kant om samen met de VS zo nodig militaire offers te brengen om de beschaving te beschermen tegen de gesel van terroristische gruweldaden.