Research
Articles
Stuur particuliere militaire bedrijven onder VN-vlag
De vraag die dan rijst is of hier geen rol is weggelegd voor anderen, bijvoorbeeld particuliere militaire bedrijven (pmb's). De secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan, staat dezer dagen opnieuw met lege handen. Zijn verzoek aan de Veiligheidsraad vorig jaar september om de VN-vredesmacht (Unamsil) in Sierra Leone uit te breiden tot 20.500 man, is nog steeds niet gehonoreerd. Na het vertrek van de goedbewapende en gedisciplineerde Indiase en Jordaanse contingenten is de sterkte van Unamsil geslonken tot 10.000 manschappen, overwegend slecht bewapend, matig getraind, en ook weinig gedisciplineerd.
Het optreden van particuliere militaire bedrijven in binnenlandse conflicten is in een aantal gevallen zeer succesvol geweest. Zo kreeg in Sierra Leone het bedrijf 'Executive Outcomes' (EO) enkele jaren geleden zonder veel problemen het RUF aan de onderhandelingstafel. In Angola kreeg EO de troepen van Jonas Savimbi klein. De internationale gemeenschap had waarschijnlijk niet haar huidige rol in Bosnië kunnen opvatten, indien niet tevoren het Amerikaanse Military Professional Resources Incorporated (MPRI) de Kroaten en Bosniërs aan operationele successen had geholpen (Operation Storm in Krajina).
Tegenstanders van het gebruik van militaire bedrijven brengen velerlei bezwaren naar voren. Voor sommigen gaat het om een taboe: het geweldsmonopolie behoort immers tot het domein van de staat. Daar valt wel wat op af te dingen. In steeds meer landen in het Westen is reeds sprake van een toenemende privatisering op het gebied van de interne veiligheid.
Daarnaast voeren de tegenstanders aan dat pmb's mensenrechten zouden schenden en geen verantwoording voor hun activiteiten hoeven af te leggen. Bovendien zouden pmb's ertoe neigen een conflict en daarmee hun contract onnodig te verlengen. Toegegeven moet worden dat de ervaringen met militaire bedrijven niet altijd onverdeeld gunstig zijn geweest.
Daartegenover bieden pmb's ook voordelen. Ze kunnen ingezet worden in situaties waarin westerse regeringen niet willen optreden. Pmb's zijn vaak goedkoper dan VN-vredesmachten. Zo kostte 22 maanden EO in Sierra Leone 35 miljoen dollar, terwijl aan acht maanden voor een VN-macht een prijskaartje van 47 miljoen dollar was verbon-den. Voor Unamsil is in de periode 1 juli 2000-30 juni 2001 niet minder dan 476,7 miljoen dollar uitgetrokken.
Een ander voordeel is dat een pmb sneller inzetbaar is dan een multinationale vredesmacht en ook niet onderhevig is aan de nationale agenda's van contribuerende landen.
Het optreden van militaire bedrijven dient internationaal gereguleerd te worden, bij voorkeur in VN-verband. Daarmee dienen de genoemde bezwaren tegen pmb's zo veel mogelijk te worden ondervangen. Regulering verleent aan professionele pmb's een legitimatie die hen onderscheidt van 'huurlingen', die bereid zijn voor elk doel te vechten als het maar betaalt.
Bonafide pmb's dienen zich te laten registreren. Om in aanmerking te komen voor zo'n registratie dienen ze aan bepaalde eisen te voldoen. Zo zal er duidelijkheid moeten zijn over de beschikbare gevechtscapaciteit en het vermogen deze effectief in te zetten, ook bij operaties met een 'peace-enforcement'-karakter. Daarnaast zullen deze militaire bedrijven zich aan een mandaat van de Veiligheidsraad moeten houden en internationale rechtsregels, inclusief die inzake de mensenrechten, strikt na moeten leven.
Met de inzet van een militair bedrijf bij een vredeafdwingende operatie, valt een interessante parallel te trekken met het voorstel van oud-minister Van Mierlo in 1994. Hij stelde destijds, als reactie op de genocide in Rwanda eerder dat jaar, de oprichting voor van een uit vrijwilligers bestaande 'fulltime, professionele, permanente en snel inzetbare VN-brigade'. Weliswaar was dit model volstrekt onhaalbaar, maar de kracht van zijn pleidooi voor de Algemene Vergadering van de VN lag vooral in de onderliggende logica: 'Of we reageren op onze gevoelens van afschuw en verontwaardiging, of we houden op met moraliseren.' Daaruit volgt de conclusie dat indien lidstaten niet bereid zijn het noodzakelijke militaire personeel ter beschikking te stellen, het onontkoombaar wordt om naar alternatieven te zoeken!