Deze annex is opgenomen omdat recente EVRM- ontwikkelingen relevant zijn voor bredere beleids - en wetgevingsdebatten op het gebied van asiel, maar buiten de directe scope van de onderzoeksvragen van dit rapport vallen. Om de rode draad van het rapport niet te onderbreken schetsen we deze ontwikkelingen hier in vogelvlucht. Ze bieden context, maar zijn niet bepalend voor de kern van het onderzoek.

Voor de millenniumwisseling bood het Hof in Straatsburg staten aanzienlijk meer ruimte voor migratiecontrole dan vandaag. Zaken als Moustaquim tegen België (1991), en Chahal tegen het Verenigd Koninkrijk (1996) illustreren dit: het Hof erkent veiligheidsbelangen en laat staten aanzienlijke discretie bij uitzettingsbeslissingen, maar paste beperkte propor­tionaliteits­toetsen toe.[98] Straatsburg accepteerde destijds maandenlange detentie aan de buitengrenzen voor toegangscontroles, waarbij een terughoudende toets werd toegepast in plaats van de strikte proportionaliteitstoets die nu gangbaar is.[99] Dublin-overdrachten konden plaatsvinden zonder schorsende rechtsmiddelen, wat het interstatelijk vertrouwens­beginsel versterkte.[100] Pogingen om verwijdering op gezondheidsgronden te blokkeren werden door nationale rechters, zoals het Duitse Bundesverfassungsgericht, resoluut afgewezen.[101]

De jurisprudentie is na 2004 sterk veranderd omdat het EHRM vaak meebewoog met steeds uitgebreidere Europese afspraken over asiel.[102] De toets onder artikel 3 EVRM is verschoven van een strikt individualiseringsvereiste naar de erkenning dat ook het behoren tot een systematisch vervolgde minderheidsgroep voldoende is,[103] en dat in gewelddadige conflictsituaties zelfs de enkele herkomst uit het betrokken gebied voldoende kan zijn voor een ‘reëel risico’ op schending van artikel 3 EVRM.[104] Wat begon als redelijk breed gedeelde politieke keuzes, bijvoorbeeld extra bescherming bij groepslidmaatschap en algemene situaties van ernstig geweld of extreme armoede, werd door uitspraken van het Hof steeds meer omarmd als harde normen.[105]

Rond 2010 uitten staten, aangevoerd door het Verenigd Koninkrijk, kritiek op gesteld activisme van het EHRM over kwesties betreffende immigratie en stemrecht voor gevangenen (Hirst-zaak en ontwikkeling EHRM).[106] Dit leidde tot de Verklaring van Brighton (2012) en Protocol nr. 15 (2021), het beginsel van subsidiariteit, op grond waarvan staten de primaire verantwoordelijkheid dragen de rechten uit het EVRM te verzekeren en de margin of appreciation doctrine formeel verankerden in de preambule van het EVRM. In Denemarken speelde in de jaren voorafgaand aan 2018 een politiek en juridisch debat over de uitzetting van langdurig verblijvende vreemdelingen met een strafblad, onder meer in verband met de zaak Levákovic tegen Denemarken.[107] In die bredere context werd in 2018 de Verklaring van Kopenhagen aangenomen, als onderdeel van het lopende Interlaken‑hervormingsproces inzake het functioneren van het Hof. Deze hervormingen moedigden staten aan om meer rechterlijke terughoudendheid te bepleiten, maar met behoud van kernprincipes inzake mensenrechten.

Het EHRM heeft via zijn ‘living instrument’-benadering uitspraken gedaan over grensdetentie, collectieve uitzettingen, non-refoulement en sociaaleconomische rechten, die verder gaan dan wat het Vluchtelingenverdrag zelf waarborgt. In de loop der tijd zijn in deze rechtspraak belangrijke waarborgen ontwikkeld, zoals individuele risicobeoordelingen, effectieve rechtsmiddelen en aandacht voor gezinshereniging en het belang van het kind.[108] Tegelijkertijd balanceert het Hof deze bescherming met respect voor staatsdiscretie, door beginselen als ‘subsidiariteit’ en de ‘margin of appreciation’ toe te passen.[109] De uitspraken zijn verankerd in de tekst van het Verdrag, eerdere precedenten en gedetailleerd feiten­onderzoek, en het Hof heeft richtsnoeren uitgevaardigd om zijn aanpak systematischer te maken.

De laatste jaren neemt het politieke debat toe, waarbij politici in verschillende lidstaten kritiek uitten dat de huidige interpretaties door het EHRM meer nadruk leggen op individuele rechten dan op het publieke belang, zelfs bij personen die veroordeeld zijn voor ernstige misdrijven.[110] Hier kan tegen in worden gebracht dat immigratiezaken slechts ongeveer 2% van de ingediende zaken bij het Hof vormen en dat het EHRM in de afgelopen tien jaar in slechts zo’n 300 zaken een schending vaststelde.[111] Dit laat echter onverlet dat de impact groot kan zijn, omdat nationale rechters jaarlijks in tienduizenden immigratiezaken oordelen waarin EHRM- normen richtinggevend zijn. Het debat geeft ook een te simplistisch beeld van de complexe, veranderlijke EHRM-jurisprudentie en de uiteenlopende interpretaties van nationale migratiemaatregelen door rechters in verschillende rechtsstelsels.[112] Ook hierdoor is een groot deel van het asiel- en terugkeerbeleid veel juridischer en minder flexibel geworden dan voorheen.[113]

Op initiatief van Denemarken en Italië hebben de staatshoofden en regeringsleiders van negen lidstaten (Denemarken, Italië, Oostenrijk, België, Polen, Tsjechië, Estland, Letland, Litouwen) in mei 2025 een gezamenlijke brief opgesteld. Hun stelling is dat verdragen zoals het Vluchtelingenverdrag en het EVRM zijn ontworpen in een tijd waarin migratie en veiligheidsdreigingen beperkter in omvang waren, terwijl staten vandaag de dag voor ongekende uitdagingen staan: grootschalige irreguliere migratie, georganiseerde misdaad en geopolitieke instrumentalisering van asiel. Om die reden stellen deze leiders ‘… hun democratische mandaat [te] willen gebruiken om een nieuw en open minded gesprek te lanceren over de interpretatie van het EVRM, en de goede balans te herstellen’.[114] Hun plannen omvatten uitbreiding van uitzettingsbevoegdheden, monitoring van niet-uitzetbare personen en maatregelen tegen het instrumentaliseren van migratie door vijandige actoren. Denemarken en Italië hebben sindsdien het voortouw genomen met voorstellen in deze richting. In plaats van het EVRM zelf te herzien, worden alternatieven overwogen zoals een politieke verklaring.[115] [116]

De secretaris-generaal van de Raad van Europa, Alain Berset, verklaarde dat ‘het EVRM zich moet kunnen aanpassen aan een snel veranderende wereld, maar alleen op een manier die de kernwaarden bewaart en waarbij hervormingen zonder taboes bespreekbaar zijn’.[117] Als vervolg daarop werd door Berset een informele bijeenkomst georganiseerd van de Raad van Europa om het debat over het Hof in goede banen te leiden via de juiste institutionele kanalen. Op 10 december 2025 kwamen 46 ministers informeel bijeen en spraken af een politieke verklaring op te stellen over migratie, voor aanneming tijdens een top in mei 2026, naast een nieuwe aanbeveling om mensensmokkel te bestrijden en de oprichting van een intergouvernementeel migratiecomité.[118] De daarin vervatte standpunten binden het Hof echter niet. De ministers van 27 staten kwamen evenwel ook met een gezamenlijke verklaring, waaronder Nederland, waarin de EVRM-beginselen werden bevestigd maar ook vijf uitdagingen benoemd: [119]

de uitzetting van ernstige delinquenten ondanks gezinsbanden;

de reikwijdte van het principe van ‘onmenselijke en vernederende bestraffing’;

het bevorderen van migratieoplossingen in derde landen;

het waarborgen van tijdige beslissingen op grond van artikel 8 EVRM; en

het tegengaan van instrumentalisering van migratie.

Hoewel 19 staten – waaronder Frankrijk, Spanje en Turkije – ontbreken, wijst het aantal ondertekenaars van de gezamenlijke verklaring op groeiende steun voor het Italiaans-Deense initiatief. De gezamenlijke verklaring is een belangrijk signaal omdat uitspraken van het EHRM vaak gebruikt worden als argument in wetgevingsdebatten in Brussel en nationale hoofdsteden.

EHRM 15 november 1996 Chahal t. Verenigd Koninkrijk, 22414/93; EHRM 18 febrauri 1991, Moustaquim t. België, 12313/86.
EHRM 7 maart 2000, T.I. t. Verenigd Koninkrijk, 43844/98. Dublin-overdrachten zijn de verplichte overdrachten van asielzoekers naar het EU- land dat verantwoordelijk is voor hun asielaanvraag, meestal het eerste land van binnenkomst; andere lidstaten mogen de aanvraag dan niet zelf behandelen.
Duits Federaal Administratief Hof, “Bundesverwaltungsgericht Urt. v. 15.04.1997, Az.: BVerwG 9 C 38/96”, 15 april 1997.
Sinds 2004 het Gemeenschappelijk Europees Asiel Systeem (GEAS) met EU-richtlijnen over tal van asiel-, opvang-, procedure- en terugkeernormen. Het introduceerde bijvoorbeeld in 2005 extra bescherming aan ‘subsidiair beschermden’ in een algemene geweldssituatie.
EHRM 11 januari 2007, Salah Sheekh t. Nederland, nr. 1948/04.
EHRM 17 juli 2008, NA t. Verenigd Koninkrijk, nr. 25904/07.
Het Hof beoordeelt omstandigheden in Griekse opvangcentra, zie EHRM 21 januari 2011, M.S.S. t. België en Griekenland, nr. 30696/09. Verplichtingen gelden ook buiten het eigen grondgebied, zoals in EHRM 23 februari 2012, Hirsi Jamaa e.a. t. Italië, nr. 27765/09. En algemene risico’s bij gewapend conflict in EHRM 28 juni 2011, Sufi en Elmi t. Verenigd Koninkrijk, nrs. 8319/07 en 11449/07.
EHRM Hirst t. VK 6 oktober 2005, nr. 74025/01, betrof het stemrecht van gevangenen en leidde tot kritiek in het VK op het Hof. Voor ontwikkeling EHRM op migratiezaken in het VK zie: House of Commons Library, The European Convention on Human Rights and the UK (Research Briefing CBP-10376, 2024).
EHRM Levákovic v. Denemarken 23 oktober 2018, nr. 7841/14, betrof een uitzetting van een Kroatische crimineel in Denemarken wegens schending van artikel 8 EVRM. Dit voedde het debat en resulteerde in de Verklaring van Kopenhagen (april 2018), gericht op subsidiariteit en beoordelingsruimte.
Başak Çalı, Ledi Bianku & Iulia Motoc (red.), Migration and the European Convention on Human Rights (Oxford University Press, 2021).
Subsidiariteit betekent dat het EHRM alleen ingrijpt wanneer nationale autoriteiten er niet in slagen de rechten uit het Verdrag te beschermen. De marge van appreciatie geeft staten ruimte om rechten en publieke belangen tegen elkaar af te wegen, onder toezicht van Straatsburg.
House of Commons Library, The European Convention on Human Rights and the UK . InfoMigrants, Judges and bureaucrats 'won't stop us on migrants', Italian PM, 29 augustus 2025. Premier de Wever Schoo-lezing, september 2025.
ECHR Factsheet, Focus on migration, december 2025.
Er is geen eenduidige lijn op te maken welke jurisprudentie van het EHRM problematisch is, zie Dana Schmalz, Migrants’ Rights Before the European Court of Human Rights, Verfassungsblog 7 december 2025. Zie bijvoorbeeld de ontwikkeling van jurisprudentie in het VK opgenomen in voetnoot 103.
Interview met Nicolaj Hejberg Petersen, Danish Ambassador for Conventions, December 2025.
Council of Europe, “Informal Ministerial Conference Conclusions”, 10 december 2025.
VK Ministry of Justice, “Joint Statement to the Conference of Ministers of Justice of the Council of Europe”, 10 december 2025. De vijf uiteenlopende uitdagingen weerspiegelen de diversiteit aan opvattingen binnen de 27 lidstaten, elk met hun eigen nationale rechtstradities.