De ideologie van tech-libertarisme is in deze survey geoperationaliseerd in vier type vragen: in hoeverre is het nodig dat de democratische rechtsstaat wijkt om technologische vooruitgang te bevorderen; is technologische vooruitgang een belangrijke oplossing voor grote maatschappelijke problemen; moet de overheid als een bedrijf worden bestuurd; worden technologiebedrijven in Europa te sterk worden gereguleerd door Europese wetgeving.[10]
Uit de resultaten blijkt dat geen van deze ideeën op meerderheden in Nederland kan rekenen. Zo antwoordt slechts 13% dat het goed zou zijn als de overheid, net als een bedrijf waar een CEO aan het hoofd staat, door één persoon geleid wordt (Figuur 8, bovenste staaf). Een minderheid van 26% denkt dat Europese digitale wetgeving een belemmering vormt voor de vrijheid van meningsuiting (Figuur 8, tweede staaf). Een grote meerderheid van 76% stelt dergelijke wetgeving juist op prijs om bedrijven en bevolking te beschermen tegen desinformatie en schendingen van privacy, en om de Europese manier van leven vis-à-vis de Amerikanen en Chinezen te beschermen (Figuur 8, vierde staaf).
Nederlanders hebben weinig gevoel bij de existentiële technologische strijd die MAGA’s tech-libertariërs menen te voeren met China. Slechts 15% wil koste wat het kost de AI-race met Beijing winnen (Figuur 8, vijfde staaf). Het idee dat technologische bedrijven een cruciale, heilzame rol spelen in het oplossen van maatschappelijke problemen, en daarom meer vrijheid moeten krijgen, vindt eveneens weinig weerklank: slechts 13% is het hiermee eens (Figuur 8, zesde staaf). De combinatie van de waarde die Nederlanders hechten aan robuuste digitale wetgeving en het gebrek aan vertrouwen in de heilzame effecten van snelle technologische vooruitgang, verklaart mogelijk deels waarom bijna 53% vindt dat technologische vooruitgang geen voorrang moet krijgen boven democratische processen (Figuur 8, onderste staaf).
Het christelijk nationalisme kenmerkt zich door een aantal typisch christelijke en een aantal meer algemene waarden: het idee dat religiositeit leidt tot een scherper afgesteld moreel kompas, ook op maatschappelijk niveau; de perceptie dat christenen inmiddels tot een achtergestelde minderheidsgroep behoren die te maken heeft met behoorlijke discriminatie; en het idee dat een staat waarin religie een prominente rol speelt beter toegerust is om maatschappelijke problemen op te lossen.
Voor geen van deze gedachten is een meerderheid te vinden in de Nederlandse samenleving. Voor sommige stellingen geldt evenwel dat de minderheid wel omvangrijk is: een kwart van Nederland meent dat christenen in ons land evenveel, of meer, worden gediscrimineerd vergeleken met andere minderheidsgroepen (Figuur 9, bovenste staaf). Ter vergelijking: in de Verenigde Staten ligt dat percentage op 36%.[11] Een grote meerderheid van 73% denkt dat wanneer religie (breder dan alleen het christendom) meer invloed krijgt op politieke besluiten, de Nederlandse samenleving erop achteruit zou gaan, tegenover 17% die het daar niet mee eens is (Figuur 9, tweede staaf). Slechts 13% gelooft dat maatschappelijke problemen sneller zouden worden opgelost wanneer religie een grotere rol zou spelen in het leven van Nederlanders (Figuur 9, derde staaf). Er bestaat wel een breder gevoel dat de overheid een rol moet spelen in de morele opvoeding van haar burgers: 45% is het daarmee eens, tegenover 31% oneens (Figuur 9, vierde staaf).
Ten slotte: een minderheid van Nederland ziet het christendom als een belangrijke pijler in de internationale verhoudingen met andere christelijke naties: ruim 29% kan zich vinden in deze gedachte, 41% is het hiermee oneens (Figuur 9, laatste staaf).
De resultaten laten zien dat Nederland deels ontvankelijk is voor het invloedssfeer-interventionistische gedachtegoed. Deze stroming kenmerkt zich door de bereidheid te interveniëren in het buitenland om de nationale belangen en veiligheid van het eigen land te dienen, maar koestert anders dan de neoconservatieven van weleer geen ambities om de eigen beschaving te exporteren naar andere delen van de wereld. Daarnaast zien vertegenwoordigers van deze stroming China als een existentiële bedreiging voor de Amerikaanse c.q. Westerse veiligheid. De survey omvat vragen die bovenstaande noties meten.
Er bestaan in de Nederlandse bevolking geen meerderheden voor een interventionistische politiek. Zo meent 53% dat Nederland de grenzen en keuzes van andere landen moet respecteren, ook als dat slecht is voor de Nederlandse belangen (22% is het daar niet mee eens, zie Figuur 10, eerste staaf). Daarnaast kunnen grote groepen Nederlanders zich vinden in de gedachte dat beschavingen hun waarden niet aan elkaar moeten opdringen enerzijds (85%, Figuur 10, tweede staaf). Tegelijkertijd steunt paradoxaal genoeg een behoorlijke minderheid van 42% dat Nederland actief onvrije regimes bestrijdt (Figuur 10, derde staaf). China is daarbij een belangrijk doelwit: 46% vindt dat China streeft naar de wereldmacht en daarom moet worden bestreden door de vrije wereld (Figuur 10, onderste staaf). In een volgend onderzoek kan het interessant zijn de spanning tussen de verschillende bevindingen nader onder de loep te nemen.
Het economisch-populistische element binnen MAGA bekommert zich, vergeleken met de andere stromingen, het meest om het lot van de Amerikaanse arbeider. Economisch populisten bekritiseren traditionele economische verhoudingen, streven ernaar via protectionistische maatregelen de maakindustrie in de VS te herstellen en staan kritisch ten opzichte van machtige bedrijvenlobby’s in de politiek.
De surveyresultaten laten zien dat een aantal ideeën uit het economisch-populistische gedachtegoed behoorlijke weerklank vindt in de Nederlandse samenleving. Zo maakt 50% zich zorgen om de macht van de lobby van de farmaceutische industrie (Figuur 11, bovenste staaf). Slechts 23% koestert soortgelijke zorgen over de wapenindustrie (Figuur 11, tweede staaf). 49% van de Nederlanders steunen, net als de economisch populisten in de VS, protectionistische maatregelen om de Nederlandse en Europese maakindustrieën weer op te bouwen (Figuur 11, derde staaf). Er bestaat wel meer verdeeldheid over een specifieke protectionistische maatregel: bijna 40% vindt dat Nederland en de EU zich zouden moet afsluiten voor goedkope buitenlandse producten, ook als daardoor de prijzen stijgen, tegenover 34% die het daar niet mee eens is (Figuur 11, vierde staaf). Het beeld is even verdeeld met betrekking tot de regulering van het bedrijfsleven: 43% steunt stevige regulering, 34% is het daar expliciet mee oneens (Figuur 11, laatste staaf).
Economisch populistische ideeën vinden concluderend relatief veel weerklank in Nederland: veel ideeën krijgen steun van rond de 30-40% van de bevolking.
In de survey zijn ook vragen opgenomen om de weerklank voor de meest controversiële stromingen binnen de MAGA-beweging in kaart te brengen: namelijk haar alt-right en anti-institutionele elementen. Het is van belang om, zeker bij het interpreteren van deze resultaten, te herhalen dat (gedeeltelijke) sympathie voor elementen binnen een oriëntatie niet per definitie betekent dat een respondent volledig onder het betreffende label kan worden geschaard.
De respondenten is een roemruchte uitspraak van Trump uit zijn eerste termijn voorgelegd, namelijk dat er shithole countries bestaan, waar mensen niet in staat zijn tot goed bestuur. 46% van Nederland stelt het hierin met hem eens te zijn (Figuur 12, eerste staaf). Trump doelde met zijn uitspraak destijds vooral op Haïti en verschillende Afrikaanse landen: het is niet bekend welke landen de respondenten voor ogen hadden toen zij de vraag invulden.
Daarnaast legde de survey aan de respondenten voor of zij menen dat in een gezonde samenleving de oorspronkelijke etnische en demografische samenstelling in stand moet blijven. Dit is een bekende argumentatielijn waar alt-right aanhangers in de Verenigde Staten zich van bedienen. De respondenten zijn hierover verdeeld: 39% is het hiermee eens, 38% oneens (Figuur 12, tweede staaf). Tegelijkertijd zegt bijna de helft (48%) dat etnische diversiteit een verrijking is voor de samenleving (Figuur 12, derde staaf). Dat gat van 10% tussen beide vragen lijkt te suggereren dat er verschil van inzicht bestaat over wie er precies behoren tot de ‘oorspronkelijke etnische en demografische samenstelling’.[12]
De MAGA-beweging herbergt ideeën die op z’n minst aanschuren tegen het neofascisme.[13] Een belangrijk kenmerk van deze stroming is het idee dat in een ideale samenleving de sterken absolute macht uitoefenen over de zwakkeren. Voor dergelijke opvattingen bestaat weinig steun in Nederland. 78% vindt niet dat sterken altijd hun wil aan de zwakkeren moeten kunnen opleggen (Figuur 13, eerste staaf), 98% is van mening dat ook sterken zich aan de wet moeten houden (Figuur 13, tweede staaf). Ruim een kwart meent dat de zwakken in onze samenleving te veel beschermd worden ten koste van het potentieel van de sterken (55% is het daarmee oneens, Figuur 13, laatste staaf).
Binnen de MAGA-beweging bestaat er ook een stroming die een radicale omwenteling van het bestaande politieke systeem nastreeft: die zouden kunnen worden aangeduid als anti-institutionelen. In dit onderzoek is deze houding op verschillende niveaus van radicaliteit onderzocht.
Het blijkt in algemene zin dat een behoorlijk deel van Nederland het openbaar bestuur flink op de schop wil nemen (50% is het daarmee eens, zie Figuur 14, bovenste staaf). Dat betekent echter niet dat er ook massaal steun bestaat om die veranderingen met geweld af te dwingen: een minderheid van 16% vindt dat het in het uiterste geval ook begrijpelijk is als voor een dergelijke omwenteling geweld nodig is, gepleegd door echte patriotten (zie Figuur 14, tweede staaf). 16% is weliswaar een kleine minderheid, maar gezien het radicale karakter van de stelling gaat het wel degelijk om een substantiële groep. Deze cijfers komen overeen met de Amerikaanse situatie, waar 14% geweld door echte patriotten ziet als een middel om de noodzakelijke verandering te realiseren.[14]
Een vijfde van Nederland meent dat Nederland een sterke leider nodig heeft, die moet kunnen besturen zonder rekening te houden met het parlement en verkiezingen (Figuur 14, derde staaf). Wanneer de vraag scherper wordt geformuleerd – is een dictatuur beter voor de welvaart, veiligheid en welzijn? – daalt het enthousiasme: dan is slechts 8% het eens met de stelling (Figuur 14, laatste staaf). Dit verschil laat, wellicht niet verrassend, zien dat de betreffende 20% van Nederland verschil ziet tussen een sterke leider en een volledige dictatuur.
We zien tegelijkertijd dat bijna een kwart kritisch is over de invloed van de rechterlijke macht op het landsbestuur. 24% stelt dat zij te veel macht heeft gekregen (Figuur 15, eerste staaf), en 21% pleit ervoor die macht actief terug te dringen (tweede staaf). Het principe van de scheiding der machten krijgt nog wel steun van een ruime meerderheid (80% eens, 5% oneens, zie Figuur 15, derde staaf).
Uit deze set vragen komt een gelaagd beeld naar voren: op basis van de cijfers kan niet worden geconcludeerd dat een substantieel deel van Nederland ontvankelijk is voor alt-right gedachtegoed. Tegelijkertijd blijkt wel dat tussen de 15 en 25% behoorlijk ontevreden is over het huidige systeem, en radicale methoden (geweld, een sterke leider, sterk terugdringen van de rechterlijke macht), zou goedkeuren om verandering te bewerkstelligen. Het vertrouwen in de scheiding der machten als algemeen principe van de democratische rechtsstaat is daarentegen nog wel stevig verankerd bij een overgrote meerderheid van de Nederlanders. In de Verenigde Staten steunt 74% dit principe.[15]