Goede handhaving is het halve werk
Mogelijkheden voor een nationaal handelsverbod binnen het Europees recht ten aanzien van illegale Israëlische nederzettingen
Op 27 mei 2026 nam Erwin van Veen in de Tweede Kamer deel aan een rondetafelgesprek van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken over over handelsverbod illegale nederzettingen. Lees haar position paper hieronder.
Dit positiepaper geeft geen juridische inschatting van een nationaal handelsverbod, maar richt zich op de context en praktische invulling van een dergelijk verbod.
De huidige situatie in de bezette gebieden
De Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden – de Westelijke Jordaanoever, Gaza en Oost-Jeruzalem – gaat haar 59e jaar in. Israëlische regeringen streven sinds 1967 uiteindelijk naar volledige annexatie van de bezette Palestijnse gebieden. De Haagse en Geneefse conventies (1907, 1949, 1977) stipuleren evenwel dat bezetting tijdelijk van aard moet zijn en geen soevereiniteitsaanspraken creëert. Een bezetter moet daarnaast ook bepaalde geboden en verboden in acht nemen, zoals bescherming van de burgerbevolking, respect voor lokale gewoonten en wetten, en het voorzien in een eerlijke en transparante rechtsgang, alsook het vermijden van demografische veranderingen, collectieve bestraffing en beslaglegging op privaat eigendom. Daarnaast erkent het internationaal recht aanspraken op zelfbeschikking en verzet het zich dwingend tegen apartheidsregimes. De circa 140 illegale Israëlische nederzettingen en circa 160 buitenposten op de Westelijke Jordaanoever, alsook circa 230.000 Israëlische kolonisten in Oost-Jeruzalem, staan haaks op zulke geboden en verboden. Nederzettingen en buitenposten zijn daarnaast het directe gevolg van Israëlisch overheidsbeleid. Belangrijke beleidsinstrumenten zijn hierbij de inzet van overheidsgelden (o.a. subsidies), het bieden van bescherming aan nederzettingen en geweldsuitoefening richting Palestijnen. Daarnaast zijn dwang, vernedering, collectieve bestraffing, verwoesting, schijnprocessen, inbeslagname, marteling en doodslag van Palestijnse inwoners van deze gebieden gangbare werkmethoden van zowel kolonisten als Israëlische veiligheidstroepen.
Bestaande verplichtingen
Naast talloze AVVN- en VNVR-resoluties, en het oordeel van het Internationaal Gerechtshof uit 2004 waarin de Israëlische afscheidingsbarrière en nederzettingen illegaal werden verklaard, kwam in juli 2024 een nieuw oordeel van hetzelfde Gerechtshof tot stand met implicaties voor de verplichtingen van Nederland ten aanzien van de bezetting. Dit oordeel verplicht alle lidstaten van de Verenigde Naties in feite om zich op individuele basis te “onthouden van het aangaan van economische of handelsbetrekkingen met Israël met betrekking tot het bezette Palestijnse gebied of delen daarvan die Israëls onrechtmatige aanwezigheid in het gebied kunnen bestendigen” en ook om “maatregelen te nemen om handels- of investeringsrelaties te voorkomen die bijdragen aan het in stand houden van de door Israël in het bezette Palestijnse gebied gecreëerde illegale situatie”.
Belangrijke ontwerpparameters voor een handelsverbod
De bovenstaande situatieschets bevat belangrijke vingerwijzingen voor de ontwerpparameters van een handelsverbod. Volledige uitvoering van het oordeel van het Gerechtshof van juli 2024 vereist in ieder geval een stop op de import en export van goederen en diensten uit en naar, alsook investeringen in, Israëlische nederzettingen. Daarnaast bestaan Israëlische nederzettingen bij de gratie van wetgeving, beleid, subsidies, bewapening en bescherming van en door de Israëlische overheid, onder meer de ministeries van Financiën, Defensie en Nederzettingen. Invulling geven aan het oordeel van het Internationaal Gerechtshof kan daarom ook een noodzaak creëren om relaties te verbreken en/of te verbieden met Israëlische overheidsinstanties en bedrijven wier activiteiten de bezetting in stand houden of zelfs uitbreiden, zoals bijvoorbeeld hypotheekverstrekking door banken.
Met andere woorden, een handelsverbod op de invoer van goederen uit Israëlische nederzettingen geeft slechts gedeeltelijk invulling aan het oordeel van het Hof, maar kan een stap vormen in een langer traject waarin een verbod gestaag wordt uitgebreid naar dienstverlening en investeringen. Vooraf vastgestelde ijkpunten die ruimte creëren voor een beleidswijziging aan Israëlische kant, maar tegelijkertijd druk uitoefenen, kunnen daarbij een bruikbaar leidsnoer vormen.
Een verbod op de import en export van goederen, diensten en investeringen in Israëlische nederzettingen zal effectief zijn in de zin dat het de Israëlische regering confronteert met concrete sociaaleconomische gevolgen die onderstrepen dat haar beleid internationaal niet acceptabel is. Een dergelijk verbod moet wel effectief worden gehandhaafd.
Handhavingsuitdagingen voor een handelsverbod
Slovenië en Spanje zetten al een handelsverbod op goederen uit Israëlische nederzettingen om in wetgeving, terwijl soortgelijke discussies lopen in België, Ierland, Portugal, Finland en Noorwegen. Spaanse wetgeving verbiedt daarnaast advertenties voor diensten die vanuit nederzettingen worden aangeboden, zoals overnachtingsmogelijkheden. Zowel de Spaanse wetgeving als Ierse conceptwetgeving verplichten dat douaneverklaringen voor alle Israëlische importgoederen de postcode en plaats van oorsprong vermelden. Overtreding van deze verplichting wordt bestraft als smokkel. Voor de handhaving wordt vervolgens gebruikgemaakt van een vooraf vastgestelde lijst met postcodes van Israëlische nederzettingen. De Nederlandse douane zou een vergelijkbare aanpak kunnen volgen, aangevuld met regelmatige actualisaties van deze lijst en de opname van Israëlische buitenposten.
Daarnaast is het voor effectieve wetgeving noodzakelijk dat ook Israëlische producten die slechts ten dele uit nederzettingen komen, of waarvan het productieproces inputs uit nederzettingen heeft genoten - zoals in de vorm van grondstoffen, arbeid, intellect en halffabricaten - eveneens volledig worden uitgesloten van import. Dit vereist dat Nederlandse importeurs verplicht worden om in hun contracten met Israëlische bedrijven een clausule op te nemen die garandeert dat geïmporteerde waar geen productielinks met nederzettingen heeft. Controles door de douane en betekenisvolle sancties op overtredingen zijn voor de effectiviteit van zo’n clausule noodzakelijk.
Vervolgens wordt er gefraudeerd met al geldende etiketteringseisen voor producten uit Israëlische nederzettingen door bijvoorbeeld de oorsprong te vervalsen, onjuist te vermelden of in het midden te laten. In Nederland is de verkoop van onjuist geëtiketteerde wijn door het Israël Producten Centrum in Nijkerk hiervan een goed voorbeeld. SOMO deed ook al eerder uitgebreid onderzoek in Nederlandse supermarkten. Dit probleem zal zich ook voordoen bij een handelsverbod. Effectieve wetgeving voorziet daarom ook in scherpere douanecontrole door regelmatig willekeurige steekproeven uit te voeren, zeker in de eerste periode na de introductie van een handelsverbod. Dit vraagt vervolgens weer om een hogere prioritering van controles op goederen uit Israël en (in ieder geval tijdelijk) meer douanecapaciteit.
Tot slot zal een handels- en investeringsverbod op import en export van en naar Israëlische nederzettingen gebaat zijn bij het oprichten van een meldpunt voor consumenten. Hierdoor kan een deel van het signaleringsaspect van handhaving door burgers worden opgepakt, bijvoorbeeld met gebruik van applicaties als ‘No!Thanks’.
Mogelijke gevolgen van een verbod
In Europese landen die bezig zijn met soortgelijke wetgeving lijkt de tegenlobby van de Israëlische regering bescheiden te zijn, waarschijnlijk omdat er geen goed contranarratief bestaat (zoals discussies over Gaza bijvoorbeeld nog steeds wel met referte aan Hamas kunnen worden afgedaan). Ierland heeft te maken met druk uit de Verenigde Staten die gebruikmaakt van de grote rol van Amerikaanse bedrijven in de Ierse economie. In Duitsland wordt wel gewag gemaakt van de nazi-boycot van Joodse producten, winkels en diensten uit 1933. Geen van beide situaties is van toepassing in Nederland.
Daarnaast zorgen het sterke juridische kader en de redelijk goede uitvoerbaarheid van een handelsverbod ervoor dat het lastig is legitieme tegenspraak te mobiliseren. Tot slot verdient het aandacht dat gedeeltelijke of ontoereikende naleving van het oordeel van het Internationaal Gerechtshof van juli 2024 kan betekenen dat Nederland in de toekomst aansprakelijk zal worden gesteld.