Research
Op-ed
Maatschappij en krijgsmacht: Relatie vergt voortdurend onderhoud
Toetsingskader
Het in 1994 gepubliceerde Toetsingskader noemde dan ook als een van de aandachtspunten dat voor een missie naast voldoende draagvlak in het parlement, dit ook dient te bestaan in de samenleving. Als de aanbevelingen van de Commissie-Van Baalen worden overgenomen zal in de toekomst zelfs parlementaire goedkeuring van een missie vereist zijn. In Duitsland is dit reeds het geval.
In het huidige Toetsingskader uit 2001 wordt geen aandacht meer besteed aan maatschappelijk draagvlak. Bedacht dient te worden dat de aandachtspunten van het Toetsingskader 'niet meer dan een hulpmiddel' zijn bij de vorming van het politieke en militaire oordeel over deelname aan een missie. Het Toetsingskader is immers geen checklist die afgevinkt kan worden, maar omvat aandachtspunten die voor een zorgvuldige besluitvorming allen de revue moeten passeren.
Hoewel een maatschappelijk draagvlak ten tijde van een besluit uiteraard wel gewenst is, kan dit niet altijd doorslaggevend zijn. Zo was een meerderheid van de publieke opinie in januari jl. tegen deelname aan de missie in Uruzgan. Maar het is niet uitgesloten dat, als de meerderheid van de publieke opinie de deelname aan missies herhaaldelijk niet steunt, dit op den duur ook gevolgen heeft voor de ervaren legitimiteit van de missie en zelfs voor de steun voor de krijgsmacht in het algemeen.
Draagvlak
De relatie tussen maatschappij en krijgsmacht komt uitgebreid aan de orde in drie onlangs verschenen publicaties. Dat is allereerst het rapport "Maatschappij en Krijgsmacht" van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV). Het advies maakt een onderscheid in: (1) het algemene draagvlak voor de krijgsmacht, zijn noodzaak en wenselijkheid; (2) het draagvlak voor de diverse taken van de krijgsmacht, zoals landsverdediging en bijdragen aan internationale vrede en veiligheid; en (3) het draagvlak voor specifieke militaire operaties.
Het rapport stelt dat het algemene draagvlak voor de krijgsmacht onverminderd hoog is. Gemiddeld ruim driekwart van de bevolking vindt al decennia lang de krijgsmacht nodig dan wel noodzakelijk. Ook de steun voor de hoofdtaken van Defensie blijkt uit onderzoek relatief hoog en constant te zijn. Kortom, het draagvlak voor de eerste twee draagvlakcategorieën is ruim aanwezig.
Het draagvlak voor de derde categorie, steun voor specifieke missies, blijkt echter niet bij voorbaat verzekerd te zijn, zoals Uruzgan heeft aangetoond. Het AIV-rapport noemt als vijf politieke en sociale factoren die volgens haar de voornaamste verklaring vormen voor steun aan de internationale inzet van militairen: (1) Legitimiteit: de mate waarin politieke handelingen van gezagsdragers door burgers als gerechtvaardigd en juist worden ervaren; (2) Belangen en waarden: de doelstellingen die met het militaire optreden worden beoogd; (3) Succes: het verwachte of bereikte resultaat van een militaire operatie; (4) Leiderschap: als deel van de kwaliteit van het besluitvormingsproces om aan te tonen waarom militaire inzet nodig is; en (5) Kosten: waaronder vooral het risico op slachtoffers een negatieve invloed kan uitoefenen op de steun aan militaire operaties. Voor wat betreft het laatste, merkt de AIV op dat er geen bewijs is voor de vaak verkondigde stelling, dat de steun van de bevolking zou verminderen als er echt slachtoffers vallen - het zogenoemde 'lijkzakkensyndroom'.
De AIV adviseert de regering in de communicatie naar de bevolking en het parlement toe, expliciet aandacht te besteden aan de bovengenoemde eerste vier factoren, waardoor ze tevens meer inhoud geeft aan de vijfde factor: leiderschap.
Communicatieplan
Hoewel het onduidelijk is of hier sprake is van toeval, heeft het Ministerie van Defensie de AIV op haar wenken bediend. Onder het motto "begrip leidt tot waardering" publiceerde Defensie onlangs een communicatieplan voor ISAF Stage III Uruzgan. Het plan bepleit een open beleid, waarin ook de schaduwzijde van Defensie bespreekbaar moet zijn: "Natuurlijk benadrukken we de mooie kanten van het vak, maar als we de schaduwkanten (PTSS, mogelijke slachtoffers, misstanden) trachten af te schermen, zal het volledig begrip er niet komen. Ook de waardering zal er dan niet zijn. Dit pleit eveneens voor openheid". Als belangrijke doelgroepen van het communicatiebeleid worden niet alleen politiek, bevolking en de media, maar ook de uitgezonden militairen, het thuisfront, defensiepersoneel, internationale partners en de Afghaanse bevolking genoemd. Elke doelgroep heeft er behoefte aan om 'gevoed' te worden met relevante informatie. Inmiddels is in het kader van openheid, 'embedded journalism' een vertrouwd nieuw fenomeen geworden. Zowel in de geschreven pers als in de audiovisuele media kan men geregeld kennisnemen van het leven en het werken van de Nederlandse militairen in Uruzgan.
Veiligheid
Het onderwerp maatschappij en krijgsmacht komt tenslotte ook aan de orde in de recente publicatie "Het vizier op Defensie: Interne en externe ideeën voor de krijgsmacht van de toekomst". Het betreft hier de ideeën van veel mensen binnen en buiten de defensieorganisatie over de rol van de krijgsmacht en de uitdagingen die op haar afkomen.
Paul Scheffer meent in deze publicatie, dat voor het draagvlak van de krijgsmacht, Defensie niet moet vertrouwen op een solide basis van internationale solidariteit en engagement in Nederland. De regering, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en dat van Defensie moeten volgens hem blijven hameren op de kwetsbaarheid van Nederland en de dreigingen zeer scherp onder woorden brengen. Defensie zal altijd de relatie moeten leggen tussen haar buitenlandse activiteiten en binnenlandse veiligheid. Ook zal Defensie volgens Scheffer meer nationaal moeten optreden.
Dit laatste heeft inmiddels in beginsel gestalte gekregen door de intensivering van civiel-militaire samenwerking, waarvoor de ministers van Binnenlandse Zaken en Defensie een convenant hebben gesloten. Op het gebied van interne veiligheid is dan ook niet langer sprake van de vangnetfunctie van de krijgsmacht, maar is Defensie een structurele veiligheidspartner geworden. Defensie stelt niet minder dan 25 procent van haar militaire capaciteit beschikbaar voor activiteiten op het gebied interne veiligheid.
De conclusie uit al het voorgaande is, dat de kaders aanwezig zijn voor een zo optimaal mogelijke relatie tussen maatschappij en krijgsmacht. Maar begrip en waardering vergen wel voortdurend onderhoud!