Research

Sustainability

Op-ed

26 april en de gekantelde reputatie

31 May 2012 - 13:56

In het weekend van 21 april was minister Jan Kees de Jager op een IMF-vergadering in Washington. Hij meldde voldaan dat Europa er redelijk in slaagt ('boekt significante vooruitgang') de schuldencrisis te bezwe­ren. Nauwelijks was hij uitgesproken of in Den Haag werd het tapijt onder hem en het kabinet vandaan ge­trokken. PVV-leider Wilders had zijn tafelgenoten in het Catshuis zojuist meegedeeld dat hij niet kon instemmen met het ontwerp-bezuinigingspakket. De Jager nam een taxi naar het vliegveld, hij wachtte de verbaasde blikken van de IMF-partners niet af.

 

Het was des te pijnlijker omdat het IMF bezig was geld in te zamelen voor het noodfonds dat landen zal bijstaan in het afweren van aanvallen door financiële markten als gevolg van de eurocrisis. Zo hadden Japan, Zwitserland, Noorwegen en zelfs Groot-Brittannië al $ 430 miljard bij elkaar gelegd, onder de eis dat Europese landen ook zelf orde op zaken moesten stel­len.

De actie van Wilders had wat dat betreft niet on­gelukkiger getimed kunnen zijn. De verwachting was dat de financiële markten en rating agencies de prijs die Nederland zou moeten betalen, spoedig zouden opvoeren. Het leek erop alsof geen politieke partij de moed kon opbrengen 'over haar schaduw heen te springen'. Met de onvermijdelijke val van het kabinet won de verkiezingsretoriek het aanstonds van de stille wetenschap dat elke verloren dag Nederland 90 mil­joen euro aan oplopende schuld zou kosten.

In het buitenland werd de ontwikkeling in Nederland strategischer beoordeeld. Na Griekenland, Italië en Spanje werd Nederland als het volgende 'zui­delijke' land gezien dat een regering had moeten offeren aan de tucht van de schuldencrisis; het vaderland behoorde pardoes tot de PIGS-categorie. Verbazing en leedvermaak sloegen in bijvoorbeeld Spanje snel door naar de speculatie dat Nederland nu wel spoe­dig een bondgenoot in armoede en verval zou wor­den en nu zelf ook niet meer aan de wurglogica van de kapitaalmarkt kon ontkomen. En andersom: schrik en bezorgdheid in Duitsland om het feit dat het qua fiscale orthodoxie sterke noordelijke kwartet (Finland, Oostenrijk, Nederland en Duitsland) nu wel erg uitgedund begint te raken. De sterkste economie van de EU dreigde in een onmogelijk isolement te komen. De crisis kroop naar het noorden, de vesting-Holland was gevallen.

En zo leek Nederland, met de ontploffing van het experiment-Rutte-Verhagen-Wilders, de climax te beleven van een reputatiecrisis. Toegegeven: die was in de beeldvorming al eerder ingezet gedurende het tijdperk-Balkenende. De opkomst van het populisme, het eerste 'nee' tegen de Europese grondwet en de eurokritische houding van ons land in Brussel, de moei­zame deelname aan internationale vredesmissies, de accentverschuiving van een min of meer ongeclausu­leerd naar een 'realistisch' multilateralisme onder mi­nister Bot, de eis meer rendement te willen zien van ontwikkelingssamenwerking: het waren verschijnselen die Nederland al vóór het aantreden van het gedoog-kabinet-Rutte het etiket 'lastige partner' begonnen te bezorgen.

Maar het echte 'achter de dijken zakken' begon Nederland pas aan te kleven met het regeerakkoord uit 2010. Dat koppelde buitenlands beleid en ontwik­kelingssamenwerking aan het Nederlandse (economi­sche) belang en stelde dat bijdragen aan internationale missies van NAVO en EU voortaan ook aan nationale belangen zouden worden getoetst. En dat zou spoe­dig resulteren in een krimp van het defensiebudget met nog eens 10%. De koersverandering lag niet al­leen aan de kracht van de PVV. Ook Mark Rutte had meteen na zijn verkiezingsoverwinning al geroepen uit welke hoek wat hem betrof de wind ging waaien: ' We gaan dat prachtige Nederland teruggeven aan de Nederlanders!'

De accenten zijn inderdaad verlegd, de bezuini­gingen hebben in het buitenlandse postennetwerk tot versobering en economisering geleid, we zijn wat stugger geworden in Brussel, we jagen niet overal meer achter de mensenrechten aan als dat bij voorbaat on­begonnen werk is, en het buitenland vindt Nederland niet zo aardig meer als vroeger. Nederland wordt niet meer uitgenodigd voor het G-20-overleg, maar de eer­lijkheid gebiedt te zeggen dat de ernst van de reputa­tiecrisis soms ook wordt tegengesproken.

Paria of niet, het opbreken van het Catshuisoverleg werd als katalysator voor mogelijk onheil in Europa gezien. Zo viel de 'sinking Dutchman' de betrekkelijke eer te beurt het hoofdredactioneel commentaar van de Financial Times te halen als bedreiging voor de gehele eurozone. Het ging de invloedrijke krant echter niet om onze reputatie, laat staan over ons schrijnende zelf­beeld. Terwijl de Nederlandse kwaliteitspers zich nog afvroeg hoe ons land nu toch in vredesnaam die dead­line van 30 april voor het inleveren van een accepta­bele begroting bij Olli Rehn zou halen, schreef de FT dat het geen vraag was óf maar hóe de Nederlandse politiek dat karwei zou klaren. En vervolgens bleef de Nederlandse politiek dagenlang hangen in zelf-felicitaties met het feit dat de gelegenheidscombinatie VVD-CDA-D66-ChristenUnie-GroenLinks de be­nodigde miljardenbezuinigingen bij elkaar had weten te onderhandelen en de Nederlandse eer had gered.

In de Kunduz-roes ontging ons echter het curieuze feit dat we het in de ogen van de internationale financiële wereld eigenlijk wéér niet goed hadden gedaan. Natuurlijk, het was een knap staaltje polderen wat die Hollanders daar in 48 uur hadden geëtaleerd, maar de Financial Times vertolkte ook wat veel economen vrees­den: 'De Nederlandse casus is een afschrikwekkend vertoon van zelfbeschadiging. Er is geen reden voor Nederland, dat met een tekort van 65% van het BNP tot de meest solvabele eurolanden behoort, bang te zijn voor matige tekorten tijdens een recessie.' En een dag voor het Haags akkoord pleitte ECB-president Draghi zelfs voor een Europees 'growth compact'.

Ook in de dagen erna zwollen de waarschuwingen tegen een al te monomaan vasthouden aan de stren­ge, straf-Duitse begrotingseisen aan. Niet alleen werd politiek verzet in een aantal landen gesignaleerd, ook de economische wijsheid van de austerity drive werd ter discussie gesteld. En ongewild - want een kwes­tie van reputatiemanagement was het nu niet meer en aan de goede bedoelingen van Nederland werd ook niet getwijfeld - was ons land dus toch weer een ake­lig voorbeeld geworden. Want wie niet echt hoefde te bezuinigen maar het toch stug deed, zo luidde nu de redenering, was er verantwoordelijk voor dat in de reeks verkiezingen die Europa te wachten staat, juist de extre­men van het politieke spectrum door de kiezer beloond zullen worden: 'If leaders are seen as oblivious to common sense, they will leave the field open for the likes of Mr. Wilders.'

Na de reputatiecrisis - het verwijt dat Nederland zijn internationale verplichtingen te weinig serieus neemt - voltrok zich nu het omgekeerde: het buiten­land vreest dat Nederland zijn verplichtingen té seri­eus neemt. Terwijl Nederland zich opgelucht toont over wat beschouwd wordt als de comeback van het politieke midden, wordt elders gewaarschuwd tegen het omgekeerde effect van het huzarenstukje, namelijk dat de loper wordt uitgerold voor onverantwoordelijke flank-politici.

Wij moeten de zaken in perspectief zien: Nederland is geen grote dominosteen in de Europese crisis, maar groot genoeg om met interesse naar de verkiezingsuit­slag op 12 september uit te kijken. De echte game changer is de zwaai in de Franse politiek. Zelfs als de zege miraculeus aan Hollande voorbij zou zijn gegaan, moet worden bedacht dat ook Sarkozy zich onder druk van de opkomst van Marie le Pen heel eurokritisch heeft uitgelaten (in zijn woorden 'patriottisch') en met belof­ten als herinvoering van grenscontroles aan de funda­menten van de EU knaagde.

'Te Dutch are back!', juichten Europese diploma­ten in het Europees Parlement na de geslaagde 48-uurs-collecte van Jan Kees de Jager. Inderdaad, met een beetje geluk kan Nederland alle reputatieschade, opgebouwd in de laatste jaren, in één klap afboeken, nu de poli­tiek heeft bewezen ook zonder de PVV tot besluiten te kunnen komen. Bij grote reorganisaties slikken ac­countants grote reorganisatievoorzieningen, en zo biedt de ik-doe-niet-mee-actie van Wilders nog een buiten­kans. Maar misschien spreken Europese diplomaten na 12 september precies dezelfde woorden, als de sombere waarschuwingen van de politici en economen, die een extreme backlash van strenge bezuinigingen vrezen, uit­komen. Namelijk als de Nederlandse problemen ook weer back zijn, in de vorm van een sterke verkiezingsuit­slag voor eurokritische flankpartijen.

Hoe onvoorstelbaar het ook moge klinken dat de PVV als (pseudo)partner terugkeert, we moeten ook constateren dat de politiek er niet alles aan doet om dat scenario nu al categorisch uit te sluiten. 'De VVD sluit nooit enige partij uit', was de mantra die ook na het weglopen van Wilders nog altijd werd gehoord uit de mond van politici (premier Rutte, VVD-fractieleider Blok) die op 12 september een goede kans maken de grootste partij van Nederland te blijven aanvoeren.

Het buitenland zal een herhaling van het expe­riment met de politicus die Obama een 'dhimmi' en Erdogan een 'mafkees' noemt, minder begrijpen. Het openhouden van de mogelijkheid tot samenwerking met een gezelschap dat het 'verschrikkelijke Brussel' in de beste Thatcheriaanse traditie schoffeert als zondebok voor alle falen, zou een dure fout zijn. En daarmee zijn we tot 12 september nog niet van de reputatiecrisis af.

Prof. dr Ko Colijn is directeur van Instituut Clingendael.

Voor noten bij dit artikel: zie: www.internationalespectator.nl