Research

Op-ed

Achter de schermen hoopt men dat dit het begin van het eind van het Turkse toetredingsavontuur is

13 Dec 2006 - 13:45
Mijn land wordt onrecht aangedaan, constateerde de Turkse premier Tayyip Erdogan, nadat de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen deze week deels had opgeschort.

De Unie kwam tot het besluit na wekenlang diplomatiek gesteggel over de openstelling van Turkse lucht- en zeehavens voor de tien nieuwe leden, met inbegrip van Cyprus. Daartoe had Turkije zich in een uit 2005 stammende overeenkomst verplicht.

Natuurlijk is een deel van de Turkse ergernis verklaarbaar. Zo stemden de Griekse Cyprioten in 2004 tegen een plan van de Verenigde Naties voor vereniging van beide delen van het eiland, terwijl de Turkse Cyprioten er juist voor waren.

Het besluit van de Unie heeft geen precedent en toont aan hoe moeilijk de Turkse toetreding ligt. Door over sommige onderwerpen niet meer te onderhandelen, wordt een signaal aan Ankara gegeven, zonder de stekker geheel uit de onderhandelingen te trekken.

Olli Rehn, Europese Unie-commissaris belast met de uitbreiding, stelde dat er nog steeds over toetreding wordt gesproken, maar dat het tempo nu veel lager ligt. En de Finse minister van buitenlandse zaken Erkki Tuomioja verklaarde dat 'niemand de mogelijkheid ter discussie stelt dat Turkije tot de EU toetreedt zogauw aan alle criteria is voldaan'.

Uiteraard zullen deze opmerkingen officieel op instemming kunnen rekenen, maar ik ben ervan overtuigd dat velen achter de schermen hopen dat dit het begin van het eind van het Turkse toetredingsavontuur is. Slechts 45 procent van de inwoners van de Unie wil verdere uitbreiding en een nog groter percentage is tegen uitbreiding met Turkije. Slechts in Spanje is een meerderheid te vinden.

Deze trend zal niet op korte termijn worden gekeerd. Inwoners van de lidstaten zijn steeds meer naar binnen gericht en sluiten zich af van de wereld, Europa en immigranten. Dit lijkt niet van voorbijgaande aard, waardoor er meer ruimte komt voor populistische, xenofobische politici. 'Luisteren naar de mensen' is geen typisch verschijnsel binnen de Nederlandse politiek. Daardoor nemen de kansen voor Turkije snel af. Bovendien voelen 'de mensen' instinctief aan dat Turkije de Europese Unie weinig te bieden heeft.

De Unie groeide van 12 lidstaten in 1994 tot 25 in 2004, toen Malta, Cyprus en acht Oost-Europese landen toetraden. Hierdoor groeide de Unie van 377 naar 450 miljoen inwoners, nam het grondgebied met een derde toe, steeg het gezamenlijke inkomen met slechts vijf procent en daalde het gemiddelde inkomen met ongeveer vijftien procent per hoofd van de bevolking. Deze trend wordt versterkt als per 1 januari 2007 Roemenië en Bulgarije toetreden en zal zich nog dramatischer voorzetten als Turkije erbij komt.

Voorstanders van de Turkse toetreding stellen dat dit mogelijk pas over vijftien tot twintig jaar aan de orde is en dat Turkije dan een heel ander land is. Dit is onzin. Turkije wordt ook dan het land met de grootste bevolking binnen de Unie; een bevolking die relatief even arm is ten opzichte van de andere lidstaten als nu. De nieuwe toetreders hebben er immers ook tien tot vijftien jaar over gedaan, maar hebben na al die jaren voorbereiding weinig tot geen economisch potentieel ten opzichte van de oude lidstaten toegevoegd.

Tot slot past de harde opstelling van Turkije niet binnen de cultuur van de Unie, met zijn nadruk op multilateralisme en een zekere afkeer van machtsdenken, soft power en constante dialoog om geschillen op te lossen. De veel hardere politieke cultuur van Turkije staat daar haaks op en bevestigt voor sommigen slechts de vrees voor de islam.

De houding van Turkije zelf en het aanhoudende negatieve sentiment binnen de Unie zou er inderdaad op kunnen duiden dat de tegenstanders van de Turkse toetreding alsnog hun zin krijgen.