Research
Op-ed
Als De Gaulle een doelpunt is
Tja, de kerntaken van de overheid. Juichende recensenten ziet als het grote pluspunt van het rapport-Dijsselbloem dat de commissie een gouden basisregel voor de overheid heeft geformuleerd: de wat-hoe-regel. De overheid moet eigenlijk alleen maar aangeven wat een leerling moet kunnen als hij de school verlaat, het hoe moet zij aan de scholen overlaten. Dat kunnen docenten het beste zelf bepalen. Zo krijg je een mooi, resultaatgericht onderwijssysteem. Iedereen die bestuurskunde gaat studeren, moet weten dat de Tweede Wereldoorlog in 1945 eindigde, leraren mogen zelf uitmaken hoe ze scholieren op dat punt kunnen brengen. Frontaal lesgevend, interactief studiehuizend, spelend, googlend, zingend of straffend. De overheid financiert geen input meer (weg met de vaste urennorm) maar output (hoeveel diploma's waren er vorig jaar?).
Dat lijkt een charmant recept voor het gehele overheidsbeleid. Begroten is dan überhaupt niet meer nodig, regeren is het afsluiten van één groot prestatiecontract. Betalen bij aflevering, de klant is koning. Maar hoe zou die wat-hoe-regel uitpakken als we hem op het buitenlands beleid zouden loslaten? Minder goed, vrees ik.
De gefixeerde norm van 0,8 procent van het nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking zou gezwind overboord gaan. Dat is pure inputfinanciering en biedt geen garantie op resultaat. Kijk maar naar het regeringsrapport over Afrika, schimpt de VVD. Miljoenen Hollandse euro's zijn daar gauw-gauw voor 31 december bij dictatoriale regimes gedumpt om het ontwikkelingsbudget op te maken. Toegegeven, dat deugt niet, maar is het dan wel mogelijk om vooraf eindtermen te formuleren en pas dan de buidel te trekken? Kun je van een ontwikkelingsorganisatie eisen dat er geen burgeroorlog in een gebied uitbreekt?
Ook bij de uitzending van vredesmissies vrees ik problemen. Meer dan tien procent van 's werelds defensiebudgetten wordt al uitbesteed aan de markt omdat de wat-hoe-regel hier in de praktijk wordt gebracht. Diplomaten en politici die op visite gaan in Bagdad werden beveiligd door de BV Blackwater, een resultaatgericht bedrijf met maar één opdracht: zorg dat die bezoekers veilig thuis komen. In Afghanistan huurt Nederland de diensten in van honderden privateers. Shell zorgt voor brandstoftransport vanuit Pakistan naar Uruzgan, gewapende beveiliging wordt er door een onderaannemer bijgeleverd. Een andere commerciële club, de Afghan Security Guard, bewaakt de compounds van de Nederlandse troepen in Uruzgan en is (gaf onze regering op 7 november j.l. toe) 'bij geweldsincidenten betrokken geweest'. Onder wiens juridische en politieke verantwoordelijkheid vallen dergelijke activiteiten? Moeten we nu niet moeilijk doen, gewoon de wat-hoe-regel toepassen, en kan Den Haag volstaan met het aangaan van een 'resultaatsverplichting'?
Liever niet. Wat goed is voor het onderwijsbeleid, is nog niet per se goed voor het ontwikkelings- of veiligheidsbeleid. Misschien is het zó moeilijk en onrechtvaardig om resultaatverplichtingen aan OS-werkers en militairen op te leggen, dat een regering zich eigenlijk vooral met de grote lijnen van het 'hoe' moet bezighouden. Niemand kan vrede in Uruzgan beloven, of een eind aan terreur. Als we maar wel vooraf eisen dat we niet met granaten op woningen vuren, en geen Guantánamo's willen.