Research

Articles

Als EU tegen vervuiling is, kost dat haar geld

04 Jun 2009 - 17:01
De EU gaat al jaren prat op haar ambitieuze klimaatbeleid en genereuze houding ten aanzien van arme landen. Daarvan is weinig terug te vinden in de Europese houding in het door de EU gewenste Kopenhagen Protocol waarvoor de onderhandelingen in juni weer beginnen. Dat de gesprekken moeizaam verlopen komt deels door de houding van de EU die een beslissing over geld voor zich uit schuift.

De arme landen lijden het meest onder de klimaatverandering die vooral veroorzaakt wordt door de C02-uitstoot van de rijke landen. Daarom stellen landen als India dat de Westerse landen een morele verantwoordelijkheid hebben om te betalen voor de aangebrachte klimaatschade. Als het terugdringen van klimaatverandering zo belangrijk is voor de EU, zal geld moeten worden gevonden.

Het zou komen bovenop reeds toegezegde ontwikkelingshulp, terwijl de klimaatproblematiek bovenop reeds bestaande ontwikkelingsvraagstukken komt. De EU heeft dit erkend op de klimaattop in Bali in 2007 en heeft toegezegd dat de rijke landen met extra geld zullen komen. Ontwikkelingslanden denken aan 0,5 tot 2,0 procent van het BNP van de rijke landen, hetgeen overeenkomt met de geschatte kosten van de aangebrachte klimaatschade. Ter vergelijking, Nederland geeft momenteel 0,8 procent uit aan hulp. De Europese partners komen gemiddeld maar op de helft van dit percentage uit.

De EU wil een akkoord in Kopenhagen, maar het is nog volstrekt onduidelijk waar het geld vandaan moet komen. De economische crisis heeft de geldvraag eigenlijk nog dringender gemaakt.

Nederland heeft zich in Brussel sterk gemaakt voor klimaatfinanciering en loopt voorop in de discussie over het beheer. Het staat daarin echter vrijwel alleen. De nieuwe lidstaten, aangevoerd door Polen, Italië, en zelfs het klimaatgelovige Verenigd Koninkrijk, vinden het te vroeg om een beslissing te nemen over geld. In werkelijkheid is het de vraag of er überhaupt Europese landen te vinden zijn die in deze economisch barre tijden bereid zijn forse bedragen op tafel te leggen. Ook Nederland aarzelt.

China, India en andere zich snel ontwikkelende arme landen, hebben evenwel aangegeven zonder financiering geen verplichtingen op zich te nemen. Zonder beperking van hun stijgende uitstoot is een nieuw klimaatverdrag echter zinloos. Daarnaast is het, ondanks het hernieuwd enthousiasme van de Amerikaanse regering, onwaarschijnlijk dat het Congres in zal stemmen met broeikasgas reducties als China buiten schot blijft.

Het wordt daarom tijd dat de EU de financiële verwachtingen bij (rijkere) ontwikkelingslanden matigt en tegelijkertijd naarstig op zoek gaat naar andere drukmiddelen om hen mee te krijgen. Zoals het dreigen met handelssancties, het verminderen van hulp, of het aanbieden van macht in internationale instellingen als de VN veiligheidsraad, de IMF en de Wereldbank.

Daarnaast zal er toch ergens een potje moeten worden gevonden om geloofwaardigheid te behouden, bijvoorbeeld door invoering van een heffing op opbrengsten uit de verkoop van internationale emissie-rechten. Voorlopig lijkt de EU zelfs hier niet enthousiast over, hetgeen de sfeer in de onderhandelingen niet bevordert en de uitkomst ongewis maakt.