Research

Articles

Als we vrijheid opgeven, krijgt terrorist zijn zin; Politiek moet niet meer wachten met evaluatie beleid

12 Feb 2007 - 08:41
De grootste dreiging die van terrorisme uitgaat, is eigenlijk de angst voor aanslagen. Dat deze angst ons alert maakt, waardoor we voorbereidingen doorzien en aanslagen voorkomen, is natuurlijk een goede zaak.

Angst kan echter ook een slechte raadgever zijn. De laatste vijf jaar heeft angst een grote rol gespeeld bij de totstandkoming van wetgeving in Nederland die op de een of andere wijze bedoeld is bij te dragen aan terrorismebestrijding. Want je zal het als Kamerlid toch niet op je geweten willen hebben dat een aanslag voorkomen had kunnen worden als je de nieuwe wetsvoorstellen maar had gesteund.

Maar dat betekent niet dat we daarom de normale kwaliteitseisen die we aan nieuwe wetten stellen maar overboord moeten zetten. Temeer nu, na onderzoek van Edwin Bakker van Instituut Clingendael, blijkt dat het onmogelijk is een handzaam profiel van een Europese terrorist op te stellen, waardoor bij nieuwe regelgeving al gauw het probleem ontstaat dat de groep voor wie die is bedoeld veel te groot is en niet nauwkeurig is afgebakend.

Bij het opstellen van nieuwe wetgeving is het van belang dat het voorstel voldoende precies is geformuleerd en begrippen niet te breed interpreteerbaar zijn. Dat hier niet altijd sprake van is, blijkt uit het wetsvoorstel Bestuurlijke Maatregelen Nationale Veiligheid, waarmee het mogelijk wordt maatregelen als een periodieke meldplicht of een gebiedsverbod in te stellen tegen personen die niet zonder meer van terrorisme worden verdacht, maar van wie er slechts aanwijzingen zijn dat ze mogelijkerwijs bij terroristische handelingen betrokken zijn.

Hoe sterk deze aanwijzingen moeten zijn, is niet geheel duidelijk. De Raad voor de Rechtspraak heeft zich dan ook terecht zeer kritisch uitgelaten over dit wetsvoorstel. Immers, in theorie kan met deze maatregel een zeer brede groep mensen worden geraakt en het wordt zo erg lastig te controleren of de overheid geen misbruik van haar macht maakt.

Tevens spelen criteria als noodzakelijkheid en proportionaliteit een belangrijke rol bij nieuwe wetsvoorstellen. Alexander Pechtold, fractievoorzitter van D66, pleitte vorige maand voor een parlementair onderzoek naar het terrorismebeleid in Nederland en verwees met name naar deze criteria. Pechtold pleit voor een bezinning op en een evaluatie van het gevoerde beleid en van de nieuwe maatregelen.

Andere partijen in de Kamer reageren terughoudend en roepen veelal dat het te vroeg is voor een evaluatie, omdat de regelingen nog maar net in werking zijn getreden. Deze partijen gaan er daarmee aan voorbij dat er bij de totstandkoming van de wetgeving onvoldoende aandacht voor deze kwaliteitseisen is geweest, en dat Pechtolds voorstel een mogelijkheid biedt deze fout te herstellen. Niet wachten dus: hoe eerder tot deze evaluatie wordt overgegaan, hoe beter.

Uit onderzoek van het Humanistisch Overleg Mensenrechten (HOM) van november 2005 is gebleken dat de nieuwe wetten en wetsvoorstellen op veel vlakken niet voldoen aan de kwaliteitscriteria voor goede wetgeving. Bovendien toont het HOM aan dat sprake is van negatieve gevolgen voor de mensenrechtenbescherming in Nederland. Het gaat daarbij onder meer om het recht op eerbiediging van het priveleven, recht op een eerlijk proces, en het discriminatieverbod.

Dit hoeven niet per se zeer ernstige schendingen van de mensenrechten te zijn, maar wanneer de optelsom wordt gemaakt, wordt wel duidelijk dat we een eind zijn verwijderd van het niveau van mensenrechtenbescherming dat voor 11 september 2001 bestond.

Ook de providers van internet en mobiele telefonie trekken inmiddels aan de alarmbel. Volgens een in te voeren bewaarplicht moeten de providers de 'verkeersgegevens' van hun clienten bewaren. De criteria zijn echter veel te ruim opgesteld, en de providers wijzen er dan ook terecht op dat er een groot gat ligt tussen het doel van de maatregel en de uitwerking en dat de bewaarplicht elke proportionaliteitseis te boven gaat. De inbreuk op privacy van burgers is zo niet te legitimeren.

Nu zullen velen zeggen dat in het belang van de veiligheid de vrijheid maar enigszins moet wijken. Hiertegen wil ik me echter ten stelligste verzetten. Ten eerste omdat terrorisme erop is gericht onze vrijheid aan te tasten. Wanneer wij ons in de strijd tegen dit kwaad zelf verlagen tot dergelijke praktijken, spelen we de terrorist wel erg gemakkelijk in de kaart.

Maar veel belangrijker is nog te benadrukken dat ons rechtssysteem mogelijkheden biedt om terrorisme te bestrijden zonder de waarborgen waarop ons rechtssysteem is gebouwd te verloochenen. Zeker waar maatregelen ingrijpen in individuele vrijheden, dient daarom hard te worden gemaakt hoe de nieuwe maatregel aan terrorismebestrijding zal bijdragen.

Als je alle bezwaren op een rijtje zet, is het werkelijk onbegrijpelijk dat de politiek de discussie over nut en noodzaak niet aan wil. Of moet ik zeggen: niet aandurft? Bob de Graaff, de nieuwbakken hoogleraar terrorisme en contraterrorisme aan de Universiteit Leiden, zei enkele weken geleden ook al dat de politici niet de moed hebben af en toe enige nuancering aan te brengen. Juist in onze strijd tegen de belagers van onze rechtstaat moeten we onze fundamenten van de rechtstaat versterken. En een ding staat daarbij voorop: deze strijd winnen we nooit als we onze eigen kuilen graven!