Research

Security and Defence

Articles

Amerika rest niets anders dan doorvechten

15 Mar 2006 - 00:00

In Afghanistan wordt de oorlog vooral gevoerd met vliegtuigen en raketten en kan, door de enorme technologische vooruitgang, de grondoorlog relatief eenvoudig gewonnen worden. Na Afghanistan moet dit scenario ook elders in de strijd tegen het terrorisme worden toegepast, meent Rob de Wijk.

De interventie in Afghanistan heeft een trend bevestigd die in het begin van de jaren negentig zichtbaar is geworden: de Verenigde Staten voeren oorlogen zonder noemenswaardige verliezen aan eigen zijde. Het 'nieuwe oorlogvoeren' kenmerkt zich door de hoofdrol die is weggelegd voor vliegtuigen en raketten. Door de enorme technologische vooruitgang sinds het einde van de jaren tachtig is de precisie van wapensystemen verbeterd. Voorts zijn waarnemingssystemen ontwikkeld waarmee bewegende doelen kunnen worden opgespoord en gevolgd, terwijl door de koppeling van wapens en waarnemingssystemen, opgespoorde doelen onmiddellijk kunnen worden vernietigd.

Onderdeel van het 'nieuwe oorlogvoeren' is dat slechts in een enkel geval Amerikaanse grondtroepen worden ingezet. Dat is het geval als er een tegenstander is die op vergelijkbare wijze is georganiseerd en vecht. In dat geval kunnen superieure Amerikaanse landstrijdkrachten zonder veel risico's de klus klaren, zoals de Golfoorlog bewees. Als tegen guerrilla's moet worden opgetreden laten de Amerikanen anderen de oorlog op de grond voeren ? zie bijvoorbeeld Afghanistan waar de Amerikanen in feite als luchtmacht van de Noordelijke Alliantie en andere strijdgroepen zijn opgetreden.

De reden is dat Amerikaanse strijdkrachten voor het voeren van dergelijke oorlogen slechts een zeer beperkte capaciteit aan speciale eenheden en andere gespecialiseerde strijdkrachten hebben. De strijd tegen guerrilla's vereist bovendien kennis van het terrein en de tegenstander die bij de Amerikanen veelal afwezig is. Daarbij komt dat dergelijke operaties niet alleen uiterst risicovol zijn, maar ook een aanpak vereisen die niet onder 'beschaafde oorlogvoering' valt. De kans op een nieuw My Lai is daarom groot. In 1968 vermoordden Amerikanen 350 inwoners van dit Vietnamese dorp, uit frustratie over het geringe succes tegen de guerrilla's van de Viet Cong.

Dit gevaar is tevens een verklaring waarom de Amerikanen mordicus tegen het Internationale Strafhof zijn. Als dat strafhof er reeds was geweest, dan hadden de Amerikanen een goede kans om gedagvaard te worden naar aanleiding van hun bombardement, eind november, op het fort bij Mazar-i-Sharif. In dat fort waren krijgsgevangenen van de Noordelijke Alliantie verzameld. Nadat deze in opstand waren gekomen, trachtten de strijders van de Noordelijke Alliantie de rebellie neer te slaan, geholpen door Amerikaanse bombardementen. Toegegeven, veel medelijden met de Talibaan en hun Arabische collega's is niet op zijn plaats. Maar deze actie, waarbij bijna tweehonderd doden vielen, valt in de ogen van een toekomstig strafhof vermoedelijk niet te rechtvaardigen. Er bestaan immers grote twijfels over de proportionaliteit van de Amerikaanse actie.

Het 'nieuwe oorlogvoeren' bepaalt mede de wijze waarop de strijd tegen het internationale terrorisme gevoerd zal worden. Allereerst hebben de Amerikanen weinig andere keus dan de strijd naar andere landen uit te breiden. Vermoedelijk is Al-Qaeda in vijftig tot zestig landen actief. Als Bin Laden is gepakt, is zijn netwerk nog niet gesloopt. Daardoor is de dreiging van nieuwe aanslagen allerminst verdwenen. Integendeel, het zou niet minder dan een wonder zijn als het bij de aanslagen van 11 september zou blijven. Een probleem is dat het aantrekkelijke Afghanistanscenario niet universeel toepasbaar is, omdat ieder land een aparte aanpak vergt.

In een aantal landen is dit scenario wel toepasbaar. Dit is de groep van landen waar centraal gezag feitelijk ontbreekt en waar clans en milities grote delen van het land beheersen. Soedan, Somalië en Somaliland vallen in deze categorie. In al deze landen bevinden zich trainingskampen waar Al-Qaeda gebruik van zou maken. Somalië staat het hoogst op deze lijst. Er wordt gevreesd dat restanten van de beruchte Arabische 55ste brigade en andere handlangers van Bin Laden naar Somalië willen vluchten. Vandaar dat nu reeds intensief in aangrenzende zeeën wordt gepatrouilleerd.

Amerikaanse inlichtingenkringen gaan ervan uit dat er connecties zijn tussen Osama bin Laden, Al-Qaeda en de Somalische rebellen van Al Itaahad al-Islamiya (Islamitische Unie). Al-Qaeda zou gebruikmaken van twee trainingskampen. Eén daarvan zou gelegen zijn in het zuiden van Somalië, het andere in het autonome Puntland, in het noordoosten van Somalië.

Zeker is dat Bin Laden de Somalische krijgsheer Aideed in het begin van de jaren negentig in zijn strijd tegen de Amerikanen heeft gesteund. Hij is mede verantwoordelijk voor de aanslagen op Amerikaanse militairen die ertoe leiden dat de Amerikanen hun troepen uit Somalië terugtrokken. Dat gebeurde nadat in 1993 een dode Amerikaanse soldaat voor het oog van de wereld door de straten van Mogadishu werd gesleept.

Militair-technisch is een interventie in dit gebied relatief eenvoudig. Er kunnen mogelijk deals met rivaliserende clans worden gemaakt, zodat een oorlog á la Afghanistan mogelijk is. De voorbereidingen voor een interventie zijn reeds begonnen. Zo hebben op 9 december negen Amerikaanse officieren Baidoa, 240 kilometer ten zuidwesten van Mogadishu, bezocht en daar militaire installaties, zoals een vliegveld, geïnspecteerd.

Ten tweede is er een groep landen met een functionerende regering die geen zeggenschap heeft over het gehele land, maar wel bereid is de strijd van de Amerikanen te steunen. Zo zouden elementen van Al-Qaeda actief zijn in landen als Jemen, Indonesië, de Filippijnen en Maleisië. De Amerikanen zijn voortdurend bezig regeringen van deze landen te overreden harder tegen verdachte groeperingen op te treden, al dan niet met Amerikaanse financiële of materiële steun en in samenwerking met Amerikaanse speciale eenheden. Ook hier zal worden getracht de vuile oorlog door anderen te laten voeren.

Dit wordt bevestigd door uitspraken van de Filippijnse veiligheidsadviseur Roilo Golez, die onlangs de komst van Amerikaanse teams aankondigde voor heimelijke en openlijke acties tegen Al-Queda in Indonesië, de Filippijnen en Maleisië. Jemen lijkt in deze categorie het hoogst op de lijst te staan. Amerikaanse waarnemers zouden er dus actief zijn. Zij toonden vooral belangstelling voor twee trainingskampen, één nabij Dammaj, de ander in de zuidelijke provincie Abyan.

De derde categorie zijn landen met vijandig regimes die het internationale terrorisme steunen. Dit zijn de zogenoemde schurkenstaten, zoals Irak, Noord- Korea en Syrië. De eerste twee worden ervan beschuldigd chemische en biologische wapens te fabriceren, die mogelijk in handen van Al-Qaeda kunnen worden gespeeld. Syrië biedt openlijk onderdak aan terreurbewegingen.

Deze categorie is de lastigste. De heersers zijn ongevoelig voor dreigementen. Zij laten het erop aankomen, want zij weten dat een Amerikaanse interventie op korte termijn onhaalbaar is omdat de risico's Amerikaanse beslissers afschrikken.

Irak is nummer één in deze categorie, maar het is militair-technisch gezien geen aantrekkelijk land om aan te vallen. Allereerst wordt Irak reeds tien jaar met grote regelmaat, maar zonder succes, gebombardeerd. Voorts ziet het er niet naar uit dat er een logische groep voorhanden is die de vuile oorlog voor de Amerikanen op de grond kan klaren. Steun aan de Koerden is een mogelijkheid, maar deze zitten in het noorden en zijn slechts uit op een verenigd Koerdistan.

Begin oktober is onder leiding van de onderminister van Defensie Wolfowitz door het Pentagon een plan ontwikkeld dat voorzag in uiterst risicovolle bezetting van het zuiden van Irak, inclusief de olievelden van Basra. Vervolgens zou de pro-Amerikaanse oppositie die nu in Londen zetelt aan de macht moeten komen. Deze optie eist een enorme troepenopbouw in naburige islamitische landen en is daarom door minister van Buitenlandse Zaken Powell van de hand gewezen. Een grote troepenopbouw zou de toch al broze islamitische steun aan de oorlog tegen het terrorisme ondermijnen en het anti-Amerikanisme onder de bevolkingen verder vergroten. Binnenlandse onrust kan regimes ten val brengen.

Op de korte termijn lijkt een interventie in Somalië om militaire redenen de meest haalbare optie, gevolgd door kleinschalige acties met steun van de regimes in Jemen. Daarna zouden achtereenvolgens de Filippijnen, Maleisië en Indonesië aan de beurt kunnen komen. Om militaire redenen is een interventie in Irak uiterst onverstandig. Maar het is de vraag of de Amerikaanse president de druk kan weerstaan om toch op afzienbare termijn in dit land in te grijpen.