Research

Articles

Balkenende, hou de rug recht in het Irak-debat

25 Feb 2010 - 10:34
Kabinet heeft zich in 2002/3 keurig gehouden aan de parlementaire regels. Het is te hopen dat premier Balkenende, na de erkenning in de brief van het kabinet dat het volkenrechtelijke mandaat voor de inval in Irak 'adequater' had gekund, niet nog verder door de knieën gaat. Daar geeft het rapport van de commissie-Davids geen aanleiding toe, en het is ook slecht voor het functioneren van de parlementaire democratie.

Er gaapt een aanzienlijke kloof tussen de uiterst negatieve kwalificaties in de media, en de rustige bewoordingen die de commissie-Davids zelf heeft gebruikt in haar kritiek op het kabinetsbeleid in 2002/3. Zo vindt zij de volkenrechtelijke argumenten van het kabinet om politieke steun te verlenen aan de Amerikaans-Britse inval in Irak 'niet goed te verdedigen'. Dat is wat anders dan 'illegaal', zoals in sommige krantencommentaren viel te lezen.

Van Walsum, het enige commissielid met diplomatieke ervaring, wil daarom ook niet concluderen dat de 'regering verkeerd heeft gehandeld door voor de Amerikaans-Britse inval Nederlands politieke steun uit te spreken'.

Het eerste kabinet-Balkenende wordt in het Davids-rapport ook verweten de Kamer 'geen volledige opening van zaken' te hebben gegeven over het Amerikaanse verzoek van november 2002 om mee te werken aan de planning voor een mogelijk militair optreden. Dat is de regering echter ook niet (wettelijk) verplicht, en men mag aannemen dat zulke gevoelige bondgenootschappelijke verzoeken tot Host Nation Support zeer prudent worden behandeld. Dat is bij eerdere soortgelijke verzoeken waarschijnlijk net zo gegaan, maar dat heeft de commissie-Davids niet uitgezocht.

De regering zou ook de inlichtingen over de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak 'selectief' hebben aangewend ten gunste van haar reeds ingenomen pro-Amerikaanse standpunt. Het was niet onlogisch voor de regering-Balkenende om primair op Amerikaanse en Britse inlichtingen af te gaan. De Nederlandse inlichtingendiensten hadden immers geen eigen bronnen in Irak. De MIVD geloofde zelf ook in de 'bewijzen' voor massavernietigingswapens die minister van buitenlandse zaken Colin Powell in de Veiligheidsraad presenteerde. Zo kritisch of deskundig was de MIVD dus ook niet.

Verder heeft de commissie-Davids niets heel gelaten van de vele verdachtmakingen aan het kabinet dat er ook sprake zou zijn van een heimelijke militaire bijdrage van Nederland. Integendeel, minister van defensie Kamp krijgt zelfs een openlijk compliment dat hij dit heeft weten te voorkomen. Ook stelt de commissie dat de regering in haar besluitvorming veel aandacht heeft geschonken aan het 'draagvlak' onder de bevolking. Bepaald geen democratisch halsmisdrijf.

De commissie-Davids heeft haar taak naar eigen zeggen opgevat als 'waarheidsvinding'. Welnu, de waarheid is dat de Nederlandse besluitvorming inzake Irak zich keurig heeft voltrokken binnen de regels van de parlementaire democratie. Zeker als je dit onderzoek vergelijkt met de vele andere studies over de besluitvorming in de Nederlandse buitenlandse politiek.

Ondertussen woedt het Haagse debat verder. Voor het functioneren van de parlementaire democratie is dit niet gunstig, tenzij de commissie-Davids echt nieuwe aspecten of feiten aan het daglicht had gebracht. Dat is echter niet het geval.