Er is steeds meer kans dat ook Nederland slachtoffer wordt van een terreuraanslag. Terecht dat Donner meer bevoegdheden krijgt, maar helaas gaat Remkes dan weer over crisisbeheersing. In tijden van terreur kan er maar één commandant zijn.
?Welke middelen gebruiken we in de strijd tegen het terrorisme en welke niet?? Dat was de vraag die Paul Scheffer in de Abel Herzberglezing stelde. Helaas belemmert onze politieke cultuur het geven van een helder antwoord. In de VS ging dat heel anders: een complete reorganisatie van de nationale veiligheidssector met als resultaat een ministerie voor binnenlandse veiligheid met 180000 ambtenaren. Een klus van jaren om daar een effectieve organisatie van te maken.
Deze aanpak is typisch Amerikaans. Als er een probleem is worden mankracht en geld gemobiliseerd en wordt het land op zijn kop gezet. Maar hoewel het antwoord helder was, is de aanpak niet per definitie effectief. Terroristen vinden, net als criminelen, altijd wegen om hun doel te bereiken. De aanpak van de Nederlandse regering is een afspiegeling van onze poldercultuur: ga uit van het bestaande, herschik met mate en laat niemand echt de baas worden. Donners nieuwe verantwoordelijkheden op het gebied van terrorismebestrijding passen in deze aanpak. De minister van justitie krijgt nu ?doorzettingsmacht? waardoor hij zijn bestaande verantwoordelijkheden op het gebied van terrorismebestrijding beter kan uitvoeren. Hij mag maatregelen opleggen zonder zijn collega?s te raadplegen. Dat is prima en vergroot de effectiviteit van het beleid. Maar gelijktijdig blijft zijn collega van binnenlandse zaken verantwoordelijk voor crisisbeheersing. En dat ondermijnt het adequate optreden tijdens de overgangsfase van het voorkomen van aanslagen naar het bestrijden van de gevolgen ervan.
Want wat gebeurt er als een aanslag heeft plaatsgevonden en meer aanslagen verwacht worden? Donner mag dan wegen afsluiten om de terroristen te pakken, terwijl Remkes die wegen voor de hulpdiensten juist wil openhouden. Het ?ministeriële beleidsteam? moet de oplossing bieden. Hierin zitten de meest betrokken ministers die onderling moeten afstemmen. Dat is geen garantie tegen competentiestrijd en verschillen van inzicht over het te voeren beleid. In die cruciale uren moet gehandeld worden en dat vergt eenhoofdige leiding, een commandant. En die ontbreekt. Dat dit een probleem van formaat is, heeft ook het kabinet erkend. Want toen Donner zijn bevoegdheden kreeg werd tevens bekend dat (delen van) de ministeries van binnenlandse zaken en justitie in een volgend kabinet in elkaar kunnen worden geschoven. Hiermee is de weg vrij gemaakt voor een minister van veiligheid.
De hiervoor genoemde problemen zijn slechts een topje van de ijsberg. Taken en bevoegdheden zijn niet alleen onduidelijk tussen ministeries, maar ook tussen centrale en lokale overheden. De hele organisatie voor rampenbestrijding en crisisbeheersing is ingericht volgens het polderprincipe. Hierdoor ontbreken heldere commandolijnen van de regering naar de lokale overheden. Wil onze rampen- en crisisbeheersing echt effectief worden dan moet dat veranderen, maar dat vereist een omslag in ons polderdenken.
Die omslag is hard nodig, want de situatie wordt steeds dreigender. De regering heeft partij gekozen voor de Amerikanen en is betrokken bij de strijd in Irak en Afghanistan. Den Haag huisvest talrijke internationale juridische organisaties. En sommige minderheden, vooral de Marokkanen, blijken gevoelig voor radicalisering te zijn. Naarmate de tijd voortschrijdt wordt Nederland een doelwit dat meer voor de hand ligt.
Maar een omslag mag niet leiden tot een overreactie. Voor het voorkomen van aanslagen lijken draconische maatregelen nodig, zoals het recht om te kunnen handelen voordat er concrete aanwijzingen voor terreuraanslagen zijn. Dat maakt het weliswaar mogelijk om de voorbereiding van een aanslag te verstoren, maar het is ook een aantasting van de beginselen van onze rechtstaat. Ingrijpen op basis van vermoedens staat haaks op ingrijpen op basis van concrete aanwijzingen. Daardoor ligt willekeur en inperking van onze vrijheid op de loer. En hoeveel vrijheid willen wij voor onze veiligheid opofferen? Daarover moet een diepgaand maatschappelijk debat worden gevoerd. Zo?n debat vereist allereerst de erkenning dat terrorisme een politiek, cultureel en religieus probleem is. Daarmee zijn we terug bij Scheffer?s lezing. Zo?n probleem wordt niet met nieuwe wetten, de uitbreiding van inlichtingendiensten of draconische veiligheidsmaatregelen opgelost. Daarmee kunnen hoogstens de gevolgen van het probleem worden beteugeld.
De oplossing begint met de erkenning van een botsing tussen twee, in wezen imperiale culturen: het christendom en de islam. Er zit inderdaad een fundamentele fout in een cultuur die de huidige generatie terroristen voortbrengt. Maar islamitische extremisten zullen op hun beurt zeggen dat dit ook het geval is met een cultuur die zich met de hunne bemoeit, er in intervenieert en het voorzien heeft op hun olie.
De oplossing begint met de erkenning van een botsing tussen culturen. Vervolgens moeten we de hand in eigen boezem steken. Ons eigen beleid mag fundamentalisten niet verder radicaliseren. Die erkenning geeft ons het recht eisen aan de islamitische wereld te stellen. Van de Marokkaanse gemeenschap in Nederland mag worden verlangd dat zij het extremisme in eigen groep helpt te beteugelen. En Nederland mag als voorzitter van de Europese Unie de toetreding van Turkije afhankelijk stellen van Ankara?s inspanningen het extremisme in de islamitische wereld te bestrijden.