Research
Op-ed
Christelijk kernpunt
'Mensenrechten zijn kernpunt van mijn beleid,' zegt minister Maxime Verhagen bij herhaling. 'Meer dan onder mijn voorgangers is het een onderdeel geworden van het dagelijkse diplomatieke werk.' Die laatste claim zullen oud-ministers als Van der Stoel, en zelfs partijgenootministers als Kooijmans en Van den Broek wel gelaten over zich heen laten komen.
De nestor van de Nederlandse buitenlanddeskundigen, Jerôme Heldring, die het buitenlandbeleid binnenkort vijftig jaar vanaf de zijlijn becommentarieert in zijn rubriek 'Dezer Dagen', heeft er ook zo zijn twijfels over. Hij vindt het onverstandig voor een klein land om de mensenrechten tot kernpunt van zijn buitenlandpolitiek te maken ('Maakt niet de minste indruk, werkt irriterend en is mogelijk zelfs contraproductief'). Je moet bescheiden blijven. Eigen roem stinkt, vindt hij. Een polemiek die in de krant, in de CDA-uitgave De Nieuwe Wereld én vorige week ook nog eens op een symposium van het wetenschappelijk bureau van het CDA werd uitgevochten.
Maxime Verhagen is niet iemand die gemakkelijk inbindt. In De Nieuwe Wereld stelt hij dat 'het er toe moet doen of hier een christen-democraat zit of een socialist of een liberaal. Dat moet verschil maken'. In combinatie met zijn bewering dat hij meer aan mensenrechten doet dan zijn voorgangers, betekent dat logischerwijze dat christen-democraten meer mensenrechten in hun beleid doen dan niet-christen-democraten. Hoe dat weer valt te rijmen met een ingezonden stuk van de minister in NRC Handelsblad (29 juli jl.) waarin hij schrijft: 'Mensenrechten zijn niet links of rechts - het zijn waarden die er zijn voor iedereen, altijd en overal' is onduidelijk, al ben ik dat met hem eens. Meer moeite heb ik met het beweerde verschil tussen christen-democratische en andere mensenrechten.
Iemand als Max van der Stoel (sociaal-democraat, moet je er tegenwoordig bij schrijven) werd niet moe de mensenrechtenschendingen in Oost-Europa of de Griekse dictatuur aan de kaak te stellen. Meestal discreet, anders werkte het niet. Maar ook openlijk: als in de jaren zeventig het Helsinki-proces niet vurig door kleine landen als Nederland was aangemoedigd, was het Oostblok misschien niet van binnenuit verkruimeld en hadden we twintig jaar na de val van de Muur misschien niets te herdenken gehad.
Dat de mensenrechten überhaupt beschouwd gingen worden als een onvermijdelijk deel van het buitenlandbeleid is misschien wel de grootste verdienste geweest van voorgangers van Maxime Verhagen uit de verre jaren zestig en zeventig. Onder Peter Kooijmans en Max van der Stoel werd gebouwd aan de Sanctiewet - het eerste serieuze instrument waarmee brute schendingen van de mensenrechten door andere landen konden worden bestraft. Het was in die jaren nog nodig om die Sanctiewet in de Kamer te verdedigen met de woorden: 'Een flagrante schending van de rechten van de mens kan naar onze mening beschouwd worden als een voorbeeld van een aantasting van de internationale rechtsorde [en van] een bedreiging van de internationale vrede en veiligheid.' En sindsdien verschenen de Mensenrechtennota (onder VVD'er Van der Klaauw), kreeg Nederland een eigen mensenrechtenambassadeur (onder VVD'er Van Aartsen) en was het beleid, gelukkig inderdaad, vrijwel partijloos.
Ook is Verhagen het 'ten principale niet eens' met Heldring als het gaat om de prioriteit van het mensenrechtenbeleid. Hier voert hij twee argumenten aan tegen het betoog van de oude meester. Na de val van de Muur is het tij van democratisch en rechtsstatelijk optimisme helaas weer weggeëbd en worstelen we ons door een periode van 'morele schaarste'. Het is dus onze morele plicht om het erfgoed der mensenrechten te verdedigen. Heel juist lijkt me.
Het tweede argument is niet van de dominee maar van de koopman: de Nederlandse export vaart wel in een wereld die de mensenrechten naleeft. Zo'n wereld is vredelievender, en in een vredelievende wereld draait onze economie veel beter.
Maxime Verhagen vergeet nog een derde reden om wel aan mensenrechtenbeleid te doen. Het fenomeen mensenrechten, waar honderdduizend stille voorgangers wereldwijd na de Tweede Wereldoorlog aan hebben gezwoegd, heeft de internationale gemeenschap een niet te onderschatten bindmiddel verschaft. Die winst compenseert het verlies dat door velen zo wordt gevreesd, namelijk dat staten in het globaliseringstijdperk steeds minder greep krijgen op het lot van mensen, en dat de samenhang van het systeem zelf wordt bedreigd. 'Niemand doet ooit genoeg aan de rechten van de mens,' schreef hoogleraar Peter Baehr (D66), die in 1986 in zijn oratie al de vraag opwierp of mensenrechten en buitenlandbeleid wel verenigbare grootheden waren. Dat zijn ze dus, niet alleen moreel, of handelsrealistisch, maar zelfs uit systeembehoud.