Research
Articles
Davids kan geen leidraad zijn voor Iran
Voor Balkenende is het rapport van de commissie-Davids 'vernietigend', 'keihard' en 'beschamend', valt te lezen in de kwaliteitspers. Commentatoren en Kamerleden buitelen over elkaar heen om aan te dringen op zijn aftreden. Een kabinetscrisis kon nauwelijks worden afgewend.
De belangrijkste slotsom uit het rapport is echter dat er bij de Nederlandse besluitvorming inzake 'Irak' hoegenaamd niets onoirbaars heeft plaatsgevonden. De conclusies van de commissie zijn eerder milde academische kanttekeningen dan scherpe politieke veroordelingen. Laat staan dat er echt kwalijke zaken aan het licht zijn getreden, zoals welbewuste misleiding van het parlement.
Verscheidene conclusies kunnen heel goed positief worden opgevat. Zo heeft volgens de commissie het ministerie van Buitenlandse Zaken 'al in een vroeg stadium' het beleid vastgesteld voor het verlenen van politieke steun aan het Amerikaanse ingrijpen in Irak. Nou, dat pleit dan voor de slagvaardigheid van dat ministerie, dat vaak bureaucratische verdeeldheid wordt verweten.
Volgens de commissie heeft Balkenende 'aanvankelijk weinig of geen leiding gegeven aan de debatten over de kwestie-Irak'. Maar dat is ook niet zijn taak. In ons staatsbestel geeft de minister-president leiding aan de werkzaamheden van de ministerraad, niet aan individuele sectoren van de binnen- of buitenlandse politiek. Dat doen de betreffende ministers.
Verder wordt de toenmalige regering-Balkenende verweten 'selectief' gebruik te hebben gemaakt van buiten- en binnenlandse rapportages over de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak. Dat is makkelijke wijsheid nu we weten dat die wapens er uiteindelijk niet waren. Over militaire inlichtingen kan de regering nooit 'volledige' informatie verschaffen aan de Kamer, mede om buitenlandse bronnen te beschermen. Conclusie 49 om 'staatsgeheime documenten' eerder openbaar te maken, is leuk voor historici, maar geen wenkend perspectief voor nauwere samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten.
Ook concludeert de commissie dat de 'volkenrechtelijke legitimatie' voor een aanval 'ondergeschikt' werd gemaakt aan de politieke keuzes van het kabinet. Ook daar is weinig mis mee, al had die legitimering inderdaad wat 'adequater' gekund, zoals het kabinet inmiddels heeft toegegeven. De meningen over wat adequaat is kunnen echter verschillen, zoals blijkt uit het minderheidsstandpunt van commissielid Van Walsum.
Uit niets blijkt dat Balkenende in 2002/3 een deugdelijke parlementaire controle op het regeringsbeleid in de weg heeft gestaan. De aanhoudende druk op hem om hier in 2010 nog steeds politieke verantwoording over af te leggen, ondermijnt de grondregels van het parlementaire politieke spel en is een blamage voor de Kamer.
Zou het huidige kabinet wezenlijk anders handelen als zich in de toekomst een vergelijkbare internationale crisis zou aandienen? Puur theoretisch is zo'n crisis niet. Het gestaag expanderende atoomprogramma van Iran vormt een grote internationale kopzorg. Er zijn duidelijke parallellen met de kwestie-Irak. Ook Iran heeft een dictatoriaal regime dat geheime atoominstallaties bouwt, internationale inspecties dwarsboomt, bindende resoluties van de Veiligheidsraad trotseert, ballistische raketten ontwikkelt, buurlanden bedreigt, en openlijk uit is op de vernietiging van de staat Israël.
Iran kan nog dit jaar een atoombom fabriceren. De economische sancties van de Veiligheidsraad halen tot nu toe niets uit. Amerika en Israël sluiten militaire middelen niet uit als diplomatieke druk en sancties falen. Opnieuw ontstaat dan een crisis, vergelijkbaar met de kwestie-Irak. Ook inzake Iran zal de Veiligheidsraad er hoogstwaarschijnlijk niet in slagen een mandaat te formuleren voor militair ingrijpen. En opnieuw zal een beroep op Nederland worden gedaan militaire of politieke steun te verlenen. Ditmaal door Obama.
Hopelijk laat het kabinet zich dan niet te veel van de wijs brengen door het rapport-Davids. Ook dan moeten volkenrechtelijke aspecten worden beoordeeld te midden van politieke overwegingen inzake veiligheid, Atlantische cohesie en Europese samenwerking.
De beste leidraad biedt het minderheidsstandpunt van commissielid Van Walsum. Die stelt terecht dat een 'verantwoordelijke regering zich niet alleen door de regels van het volkenrecht maar ook door de eisen van de internationale politiek moet laten leiden'. Hij noemt de preventie van nucleaire proliferatie 'een dwingende eis van de internationale politiek en daardoor ook voor ons land een vitale politieke doelstelling'.
Een militaire uitschakeling van de atoominstallaties in Iran, zonder een daartoe strekkend mandaat van de Veiligheidsraad, valt volgens deze redenering niet uit te sluiten. Mogelijk zal ook de PvdA nog deze kabinetsperiode met deze dilemma's worden geconfronteerd, ditmaal als regeringspartij, zonder de morele beschutting binnen de oppositie.