Research

Op-ed

De dode dienstbare

29 Apr 2009 - 11:09
Het is niet altijd leuk om hulpverlener te zijn.

Dat ondervond het Nederlandse echtpaar in Jemen, dat een tijdje de gastvrijheid van een ontevreden stam moest verdragen. Hinderlijk, maar niks bijzonders, begrijp ik, mijn zwager zat twintig jaar geleden ook al eens in een woestijntent buiten Ra'da. Verplicht theedrinken, wachten tot de regering in Sanaa een oude belofte heeft ingelost, die telefoonkabel die nog steeds niet is aangelegd maar al in 1981 was beloofd, ja knikken en op de goede momenten met de gastheer mee lachen, je rol als politiek wisselgeld spelen.

Hoeveel slechter kan het aflopen. Begin april verscheen het jaarrapport van twee instellingen die de risico's van het vak bijhouden. Hulpverleners moeten hun werk steeds vaker met de dood bekopen. Volgens de cijfers van het Center on International Cooperation (New York) en het Overseas Development Institute (Londen) is het gevaar dramatisch gestegen. In 2008 werden wereldwijd honderdvijfenvijftig aanslagen gepleegd op hulpverleners. Dat kostte honderdtweeëntwintig levens, honderdachtendertig mensen raakten zwaargewond of werden ontvoerd.

Het aantal doden is vier maal zoveel als tien jaar geleden. Het aantal aanslagen is in deze periode zelfs met een factor zes gestegen. Voor een deel komt dat omdat er ook meer hulp verleend wordt, een bizar bijverschijnsel van het feit dat de wereld er beter in slaagt om vredesakkoorden en wapenstilstanden te sluiten. Dat is natuurlijk heel prettig, maar garandeert lang niet altijd dat het plaatselijke paradijs onmiddellijk intreedt en hulpverleners daarna ongestoord hun werk kunnen doen. Volgens het CIC/ODI is de helft van het aantal moorden 'politiek' gepleegd, niet zelden omdat de hulp als onderdeel van een westerse politieke agenda werd beschouwd. De gevaarlijkste landen zijn: Somalië (vijfenveertig hulpdoden), Afghanistan (drieëndertig) en Soedan (negentien).

Het beeld wordt nog somberder als je rekening houdt met lokale omstandigheden. Over de hele wereld werkt een leger van ongeveer driehonderdduizend hulpverleners, in dienst van de VN, het Rode Kruis of een van de vele ngo's. Dan is honderdtweeëntwintig doden misschien nog een lage prijs, veel minder dan een procent. Maar in Somalië is één op de vijfentwintig hulpverleners de pineut. Ook in Sri Lanka, Tsjaad, Irak en Pakistan is hulpverlenen een gevaarlijk beroep. In deze top zeven, niet toevallig ook hoog in de lijst van 'falende staten' te vinden, wordt driekwart van alle aanslagen gepleegd. Misschien horen we er wel niet zo veel over omdat het vaak gaat om de dood van lokale hulpwerkers: honderdvier van de honderdtweeëntwintig. Waarom? De buitenlanders zitten meestal in kantoren en de locals zijn vaker in het veld.

De sector ontvoeringen is ook een groeimarkt. In 2008 werden tweeënzestig hulpverleners in een tent aan de thee en de ketting gelegd. Hier gaat de voorkeur van de ontvoerders duidelijk wel uit naar buitenlanders, hoe hoger en buitenlandser hoe beter, want dat betekent een hogere losprijs en het politieke statement reikt verder dan de kidnap van een lokale chauffeur. Veel hulporganisaties weten zich nauwelijks raad met deze trend. Het rapport merkt op dat het Rode Kruis - vier slachtoffers in 2008 - de dans behoorlijk weet te ontspringen, maar geeft daar geen verklaring voor. Omdat ze een onpartijdige naam heeft? Risicomijdend is? Haar personeel beter voorbereidt? De rest van de ngo's vergaat het met honderdvijfentachtig doden, gewonden en ontvoeringen een stuk slechter.

Het opzetten van een eigen veiligheidsbeleid zit de ngo's natuurlijk niet in de genen, het is zelfs een beetje vies woord. De gebruikelijke 'bewapening' tegen het loerende gevaar wordt wel de security triangle genoemd: een mix van je aanpassen, je beschermen en het gevaar afschrikken. Ofwel: doe een hoofddoek om, rijd in konvooi, en/of huur een lijfwacht in. De gedachte om een paar Rambo's in te huren schrikt de hulpverleners doorgaans af, nog los van het feit dat militair vertoon schadelijk kan zijn voor de onpartijdigheid en het hulpverlenen er niet makkelijker op maakt. Sommige grote ngo's beginnen nu een eigen 'veiligheidsbeleid' op te zetten, Save the Children en Artsen zonder Grenzen treffen wereldwijde maatregelen en laten de beveiliging niet meer aan hun nationale afdelingen over.

Als vredessoldaten sneuvelen, worden haastig persconferenties georganiseerd, radio-programma's onderbroken en condoleanceregisters geopend. De verantwoordelijke ministers spreken hun afschuw uit over aanslagen op mannen en vrouwen die in verre landen voor vrede en recht opkomen. Ze gebruiken dan vaak het woord 'laf'. Vorig jaar kwamen meer hulpverleners om door aanslagen dan vredessoldaten die in dienst van de VN voor vrede en recht opkwamen. In het kader van het 3D-beleid, dat naast Defense een even belangrijke plaats toekent aan Diplomacy en Development, zou De Dode Dienstbare hulpverlener dezelfde aandacht moeten krijgen.