Research
Articles
De Europese Unie moet snel snoeien in haar overbodige regels
Na de sexy politieke thema's zoals de euro en de uitbreiding, is nu de vraag hoe de Europese beleidsmachine goed en legitiem beleid kan afleveren. Deze vraag is net zo belangrijk als de grote politieke thema's. Cruciale uitgangspunten zijn zaken zoals subsidiariteit (alleen op EU-niveau regelen wat echt nodig is), proportionaliteit (liefst lichte instrumenten en alleen beleid als de kosten opwegen tegen de baten) en consistentie (heldere beleidslijnen die onderling zijn afgestemd). De manier waarop de EU functioneert met eerst onderhandelingen in de Commissie en dan tussen de lidstaten en met het Europees Parlement, creeert het grote gevaar van opeenstapeling van compromissen. De Europese Grondwet is - ondanks de doelstellingen van goed beleid - een voorbeeld van hoe onderhandelingen tot gedrochten kunnen leiden. Op onderdelen was het zelfs voor experts niet te begrijpen. Oftewel, de kwaliteit van EU-beleid is verre van verzekerd.
De agenda voor betere wetgeving richt zich daarom op een sterkere onderbouwing van EU-beleid. Als er iets belangrijk is voor de Europese economie en voor het politieke draagvlak dan is het wel dat bedrijfsleven, burgers en overheden vertrouwen hebben in de beleidskwaliteit. Een van de belangrijke instrumenten voor beter beleid is effectbeoordelingen. Door verwachte kosten en baten onderdeel te maken van de politieke onderhandelingen tussen de Commissie, Raad en Europees Parlement, hoopt men de Europese instellingen te binden aan onderbouwingen over nut en noodzaak.
Dit instrument toont aan waarom 'minder en beter beleid' een moeilijk haalbare doelstelling is in de EU. Een groot probleem met de Europese effectbeoordelingen is dat het amper bekend is hoe deze zouden moeten werken. De invulling is niet doordacht. Impliciet zijn met de agenda voor betere regelgeving ambitieuze aannamen gemaakt: dat er informatie is over de gevolgen van beleid in 27 landen, dat ambtenaren en politici gebruik willen maken van die informatie, en dat nationale overheden kunnen leren van landen met totaal verschillende sociale en economische omstandigheden. Uit een recente evaluatie blijkt dat de uitkomsten van de effectbeoordelingen en de invloed hiervan op de onderhandelingen ver achterlopen bij de politieke beloftes.
Om te komen tot beter Europees beleid dienen de Commissie en de nationale overheden zelf veel analytischer te worden: meer gericht op inhoud, minder focus op politieke compromissen. Bovendien moeten Commissie en lidstaten zich gezamenlijk verantwoordelijk gaan voelen voor de kwaliteit. Nu is daar in feite niemand voor verantwoordelijk.
De Commissie kan effectbeoordelingen niet alleen doen. Ze heeft informatie nodig uit de lidstaten en de lidstaten moeten de analyses mee laten wegen gedurende de twee tot drie jaar dat de onderhandelingen lopen. De lidstaten moeten dus meehelpen de effecten van nieuw EU-beleid in te schatten. Maar uit angst voor nationale politieke druk voert de Commissie effectbeoordelingen liever alleen uit en lidstaten zijn veelal te reactief om in de voorfase al te investeren in inhoudelijke analyses van Europees beleid.
In politiek opzicht luidt de kwaliteitsdiscussie een nieuwe fase in. Maar door de goede invulling wordt publiek en bedrijfsleven minder en beter beleid voorgehouden, terwijl de uitwerking achterblijft. Het redmiddel voor het Europese draagvlak wordt daarmee een nieuwe voedingsbodem voor Europessimisme.