Research
Articles
De krijgsmacht wordt wegbezuinigd
Ten tweede moet in totaal 805 miljoen euro in 2006 worden bezuinigd. Dat leidt ertoe dat hard moet worden gesneden in de gevechtskracht. De marine verliest twee fregatten en twee mijnenjagers, de landmacht geeft alle mobilisabele eenheden op en mag geen nieuwe pantserinfanterie compagnieën oprichten, terwijl de luchtmacht het aantal F-16's van 108 naar negentig moet verminderen. Dit zijn maar enkele voorbeelden van de voorgestelde bezuinigingen waarover de Tweede Kamer vandaag spreekt.
De defensiebegroting is in de jaren negentig met tientallen procenten gekort en zo uitgekleed dat geringe bezuinigingen nu disproportionele gevolgen hebben. Op een gegeven moment hebben efficiencymaatregelen geen zin meer en kan nog slechts in de output of gevechtskracht worden gesneden.
Een fundamentele zwakte van defensie is dat de gevolgen van bezuinigingen nauwelijks inzichtelijk worden gemaakt. De Commissie-Franssen kwam dit jaar tot de conclusie dat er geen integraal richtinggevend document bestaat. Het poldermodel overheerst. Dit betekent dat bezuinigingen niet op basis van een visie worden verwerkt. Zo'n visie moet steeds aan de laatste ontwikkelingen worden aangepast om de juiste prioriteiten te kunnen stellen. Bezuinigingen worden in de praktijk verwerkt door handjeklap tussen de chef defensiestaf en de bevelhebbers. Geven en nemen dus. Dit maakt defensie uiterst kwetsbaar voor steeds nieuwe aanslagen.
Het niet inzichtelijk maken van de gevolgen van bezuinigingen leidt tot drie problemen. Ten eerste wordt onvoldoende duidelijk gemaakt hoe de beschikbaarheid van eenheden en middelen voor de taakuitvoering worden aangetast. Neem de marine. Dit krijgsmachtdeel heeft nu de beschikking over veertien fregatten. Daarmee worden bijvoorbeeld internationale verplichtingen aangegaan, zoals bijdragen aan NAVO-eskaders, en moet een bijdrage aan vredesoperaties worden geleverd. Twee fregatten minder moet op de taakuitvoering van invloed zijn. Maar in hoeverre, is onduidelijk.
Voor de luchtmacht is de situatie nog moeilijker. Het aantal jachtvliegtuigen wordt teruggebracht tot 90, maar eerder is reeds besloten maximaal 85 Joint Strike Fighters aan te schaffen. Betekent dit dat 85 vliegtuigen ook voldoende voor de taakuitvoering zijn? Kortom, als ondergrenzen niet duidelijk worden afgebakend, is de afbraak van de krijgsmacht nog niet ten einde.
Ten tweede wordt onvoldoende duidelijk gemaakt hoe de krijgsmacht geschikt kan blijven voor zijn taakuitvoering. Moderne krijgsmachten worden voortdurend aangepast omdat het takenpakket verandert. Ging het vroeger om de verdediging van de NAVO-landen, nu worden krijgsmachten vooral ingezet bij vredestaken en inmiddels ook in de strijd tegen internationaal terrorisme.
Die taken worden onder moeilijke omstandigheden ver van huis uitgevoerd. De huidige krijgsmacht is onvergelijkbaar met die van tijdens de Koude Oorlog. En de krijgsmacht van over twintig jaar, is anders dan die van nu. De strijd tegen het internationale terrorisme vereist bijvoorbeeld meer nadruk op gespecialiseerde eenheden, zoals commando's en mariniers. Dat verhoudt zich slecht met het besluit het derde mariniersbataljon niet paraat te stellen. Ook zal een grotere nadruk worden gelegd op onbemande vliegtuigen en (kruis) raketten.
De investeringsquota lopen onrustbarend terug. De landmacht kan slechts 15 procent van zijn budget investeren, terwijl 25 procent nodig is om het bedrijf gezond te houden. Als onvoldoende wordt geïnvesteerd in de krijgsmacht loopt de taakuitvoering gevaar. Daardoor vermindert de waarde van de krijgsmacht als instrument voor de politiek en worden uitgezonden militairen blootgesteld aan onnodige risico's.
Ten derde zal, als onvoldoende wordt geïnvesteerd, het steeds moeilijker worden in internationale coalities op te treden. Volgens de VS wordt het technologische gat dan zo groot dat samenwerking onmogelijk wordt. Daarom dringen de VS aan op meer investeringen. Sterker, zij stellen het overleven van de NAVO afhankelijk van de bereidheid van Europese bondgenoten in hun defensie te investeren.
Welke eisen aan de nieuwe krijgsmacht moeten worden gesteld is inmiddels wel duidelijk. Nederland heeft, net als de buurlanden, behoefte aan een expeditionaire krijgsmacht die snel en ver weg kan worden ingezet. De transformatie van de landmacht heeft veel voeten in aarde. Een goede stap vooruit is het opheffen van alle mobilisabele eenheden.
Eigenlijk zou een aantal mobilisabele eenheden moeten worden omgevormd tot eenheden met oproepbare reservisten voor de inzet bij langdurige of uit de hand gelopen crises. Maar daarvoor is geen geld. Bovendien kan de landmacht nauwelijks investeren in nieuw, makkelijk te transporteren materieel, dat geschikt is voor operaties in den vreemde.
De luchtmacht zit momenteel goed in de spullen en ook de toekomst ziet er goed uit, nu de JSF er lijkt te komen. Ook de vervanging van de oude Hawk ten behoeve van de luchtverdediging door Patriotraketten is een goede zaak, omdat dit in een NAVO-brede behoefte voorziet. Maar het is de vraag in welke mate Nederland kan investeren in precisiegeleide bommen, ook al gaat ons land een NAVO-consortium op dit gebied leiden. Voorts wil de NAVO meer transport- en tankervliegtuigen, maar uitbreiding van de vloot zit er niet in. Het is de vraag hoeveel nieuwe gevechtsvliegtuigen de luchtmacht écht kan kopen.
De taakverschuiving zou bij de marine wel eens het grootst kunnen zijn. Zij richtte zich van oudsher op bescherming van de transatlantische aanvoerlijnen . De marine gaat steeds meer een rol spelen bij de steun aan landoperaties. Daartoe zullen de nieuwe fregatten voor luchtverdediging en commandovoering moeten worden uitgerust met antiraketraketten en de nog te bouwen eenvoudige korvetten met kruisraketten. Maar daarvoor is geen geld, zodat op termijn irrelevantie dreigt en nog meer schepen worden verkocht.
De toekomst is somber. Defensie staat in Nederland niet op de kaart. Enerzijds ligt dat, zoals gezegd, aan Defensie zelf. Anderzijds ontbreekt het in Nederland aan een publiek en politiek debat over veiligheid dat zelfs na 11 september 2001 niet van de grond is gekomen. In de VS en Groot-Brittannië heeft de strijd tegen het internationale terrorisme geleid tot verhoging van de defensiebudgetten; in Nederland werd deze strijd niet eens in verband met defensie gebracht. Het veiligheidsdebat gaat om bolletjesslikkers en criminaliteit op straat. Veiligheid is een zaak van de politie, dus meer blauw op straat. De relatie tussen interne en externe veiligheid wordt hier niet gelegd, terwijl een succesvolle vredesoperatie toch écht vluchtelingenstromen kunnen indammen die onze maatschappij kunnen ontwrichten. En prioriteiten tussen begrotingen worden al helemaal niet gesteld.
Als bijvoorbeeld blijkt dat hulp aan Afrika weinig resultaten oplevert, moet de politieke moed kunnen worden opgebracht om delen van het ontwikkelingsbudget naar de defensiebegroting over te hevelen. Dat vereist een brede kijk op veiligheid. Effectieve ontwikkelingssamenwerking bevordert stabiele en vreedzame verhoudingen, maar dat geldt ook voor een krijgsmacht die ver van huis wordt ingezet om Al Qa'ida op te rollen, de vrede in een crisisgebied te bewaren of economische belangen te verdedigen als die onverhoopt op het spel komen te staan.