Research

Articles

De presidentialisering van de EU en de politieke gevolgen voor Nederland

09 Nov 2009 - 20:34
De komst van de vaste voorzitter van de Europese Raad onderstreept de 'presidentialisering' van de EU. De traditioneel zwakke positie van onze premier voldoet daarmee niet aan de vereisten van effectieve Nederlandse vertegenwoordiging in Europa.

Nu het Verdrag van Lissabon in werking treedt en de verdeling van posten zoals de 'president' van de Europese Raad en Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandbeleid haar ontknoping nadert, moet vooruit worden gekeken naar de consequenties voor de lidstaten. Hier doemt een groot probleem op voor Nederland: Europa wordt op presidentiëler, maar Nederland blijft vasthouden aan een minister-president als primus inter pares. Door de traditie van coalitieregeringen bestaat er in Nederland geen formele hiërarchie tussen de premier en vakministers en genieten de vakministers een grote mate van autonomie.

Met de vaste voorzitter van de Europese Raad - het overlegorgaan van staatshoofden en regeringsleiders - is een stap gezet richting verdere presidentialisering van de EU. De functie is gecreëerd om de EU een duidelijk gezicht te geven binnen en buiten het continent. Een aanspreekpunt met gezag dat coherentie en consistentie in het werk van de EU kan brengen. De roep om een centraal figuur sluit aan bij de trend die al langer zichtbaar is naar nauwer overleg tussen de regeringsleiders. De Europese Raad hoeft formeel maar vier keer per jaar bijeen te komen. In de praktijk vergaderen de staatshoofden en regeringsleiders echter veel vaker. De Europese Raad is steeds meer het hoogste beslisorgaan geworden dat knopen kan doorhakken, crisissituaties bespreekt en grote hervormingen in gang zet. De behoefte aan dit topoverleg is deels het gevolg van globalisering en van de noodzaak om meer als een blok naar buiten te treden rond onderwerpen zoals de economische crisis, regulering van de financiële sector, WTO, energiezekerheid, klimaatonderhandelingen en de miljarden die hiervoor nodig zijn, en de voorbereidingen van G20-overleggen. Grote beleidskeuzes, zoals vorige week het Europese klimaatbeleid, worden minder beklonken op het niveau van Jacqueline Cramer en haar collega vakministers in de Milieuraad maar zijn Chefsache geworden.

De Europese Raad, en daarmee de 'president', bestrijken alle hoog-politieke onderwerpen. Tussen de 'toppen' door zal hij voortdurend contact onderhouden met de hoofdsteden over de grote onderwerpen. De echte vergaderingen zijn slechts het topje van de ijsberg. Achter de schermen is er permanent overleg tussen de regeringsleiders.

Naast de presidentialisering van de regeringsleiders wint ook de positie van de voorzitter van de Europese Commissie aan gewicht ten opzichte van de andere commissarissen. Dit is mede het gevolg van de uitbreiding met 12 lidstaten terwijl elk land een commissaris mocht behouden. Met 27 commissarissen is een sterkere centrale sturing van de voorzitter noodzakelijk. Barroso heeft zich de afgelopen jaren daarom opgesteld als de 'president' van het College. Om zijn College hanteerbaar te houden trekt Barroso belangrijke onderwerpen naar zich toe en treedt hij op als het gezicht naar buiten. Daarnaast heeft hij de organisatie van de Commissie omgevormd door de beleidsplanning en beleidsevaluatie te binden aan zijn staf - te vergelijken met ons ministerie van Algemene Zaken.

Ook de presidentialisering van de Commissie is van groot belang voor Nederland. De Commissie is traditioneel de verdediger van de Europese belangen - veelal ten opzichte van de grote landen. Het gezag van Barroso in relatie tot de grote landen is afhankelijk van hoe effectief hij wordt gevoed vanuit de lidstaten. Barroso moet een aanspreekpunt op zijn niveau hebben in de kleinere landen, zoals Nederland, om sterk te staan in zijn onderhandelingen met regeringsleiders als Merkel en Sarkozy. Grote landen zullen niet alle kleinere landen bellen maar wel veelvuldig in direct contact staan met de Commissievoorzitter.

Kortom, de Europese Raad is belangrijker geworden en krijgt daarbij nu een vaste voorzitter. Tegelijkertijd is de positie van de voorzitter van de Europese Commissie binnen het College sterker geworden. Deze voorzitters - 'presidenten' in het jargon - zullen veel gezamenlijk moeten optrekken. 'Brussel' is in rap tempo presidentiëler geworden. Om op dit topniveau mee te draaien zal de positie van onze premier - Balkenende of zijn opvolger - navenant moeten meegroeien. Dit vereist een opwaardering van de positie van de premier en zijn ministerie van Algemene Zaken. Het gaat hierbij niet om de aloude vraag of onderdelen van het ministerie van Buitenlandse Zaken naar Algemene Zaken moeten. Het niveau van de discussies in de Europese Raad en met de Commissievoorzitter vereist een sterkere betrokkenheid van de minister-president bij onderwerpen als financiën, milieu, landbouw en transport. Als Barroso of de nieuwe 'president' van de Raad belt over de financiële crisis dan mag de premier zich niet verschuilen achter zijn beperkte competenties of coalitiegevoeligheden. Het Nederlandse primus inter pares model lijkt daarmee toe aan een grondige herziening. Nederland kan zich niet onttrekken aan de Europese presidentialisering.